Roekeloosheid in het verkeer

HR: Jeugdige getuigen en de wetssytematiek
mei 30, 2014
Strafrechter moet zich vrijer opstellen t.o.v. wetgever
juni 18, 2014
Show all

tijdsbalk-opzet-schuld

In de dogmatiek van het strafrecht wordt onderscheid gemaakt tussen opzet en schuld. De grens is lang niet altijd eenvoudig te bepalen. Verre van dat zelfs. Opzet impliceert willens en wetens. Bij schuld (vaak “culpa” wanneer de delictsomschrijving spreekt van “aan zijn schuld te wijten zijn“) ontbreekt de wil om bijv. iemand van het leven te beroven. Er is sprake van een “aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid”. Die zich in velerlei vormen kan manifesteren. Iemand kan onoplettend zijn (onbewuste schuld) of juist bewust risico’s hebben genomen, maar er daarbij vanuit zijn gegaan dat het wel goed zou aflopen. Dat is de bewuste schuld die grenst aan het voorwaardelijk opzet (willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans). De zwaarste vorm van bewuste schuld is roekeloosheid.

Het verschil uit zich vooral in de straf. Hoewel de straffen op culpoze misdrijven de laatste jaren behoorlijk zijn verzwaard, is het nog steeds regel dat het strafmaximum op doleuze misdrijven aanmerkelijk hoger is dan het strafmaximum op culpoze misdrijven. Daarom is het van belang dat in het kielzog van de wetgever de HR vorig jaar de eisen die worden gesteld aan roekeloos rijgedrag heeft aangescherpt. Niet meer dan een logisch gevolg van een ophoging van het strafmaximum in combinatie met vooral de wetssystematiek (art. 175 WVW 1994). Maar hoe hoog legt de HR de lat? En welke motiveringseisen worden in verband daarmee aan de rechter gesteld?

In het jaarverslag van de Hoge Raad van 2013 zijn vijf uitspraken van de strafkamer geselecteerd. Het kopje getuigt van slordigheid. Het gaat om veel meer dan vijf uitspraken, eigenlijk gaat het ook niet zozeer om uitspraken, maar om ontwikkelingen in de rechtspraak van de Hoge Raad waarop kennelijk de aandacht moet worden gevestigd.  Ik zal ze een voor een behandelen. Daarbij wijs ik er op dat daar waar de Hoge Raad het heeft over dodelijke verkeersongevallen, de geschetste ontwikkeling tevens heeft te gelden voor ongevallen waarbij het slachtoffer lichamelijk letsel oploopt. Dat vloeit voort uit artikel 175 WVW 1994.

De Hoge Raad wijst op zes arresten die hij op 15 oktober 2013 respectievelijk 3 december 2013 heeft gewezen. Samengevat komt het hierop neer dat iemand die onder invloed rijdt en iemand die met veel te hoge snelheid rijdt, “doorgaans” niet wegens roekeloos rijden kan worden veroordeeld. Dat is voor een verdachte van wezenlijk belang omdat in geval van dood door schuld door roekeloos rijgedrag het stafmaximum volgens artikel 175 lid 2 jo. lid 1 WVW 1994 wordt verdubbeld. Van drie jaar naar zes jaar.

Van belang is in dit geval echter vooral de wetssystematiek. Die geeft richting aan de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het tweede lid van artikel 175 WVW 1994 bepaalt namelijk dat indien een verdachte onder invloed of met een veel te hoge snelheid heeft gereden de straffen van drie jaar (lid 1) en zes jaar (lid 2) met de helft worden verhoogd. Omdat het derde lid ook terugslaat op het eerste lid, moet de conclusie zijn dat de strafverzwarende omstandigheden niet per definitie “roekeloosheid” constitueren.

Opmerkelijk kan deze ontwikkeling dus niet worden genoemd. Hooguit in de zin dat de Gerechtshoven die door de Hoge Raad op de vingers werden getikt, de WVW 1994 niet goed hadden gelezen. De feitenrechter kan “doorgaans” niet volstaan met een motivering waarin het roekeloze rijgedrag wordt gebaseerd op he feit dat verdachte onder invloed verkeerde of dat hij meet een veel te hoge snelheid reed. Er moet iets bij.

It de motivering moet blijken dat door het “buitengewoon” onvoorzichtige rijgedrag van verdachte een “zeer ernstig gevaar” in het leven is geroepen alsmede dat verdachte zich daarvan “bewust” was althans “had moeten zijn”. Dat betekent dat de Hoge Raad de roekeloosheid dogmatisch gezien doet grenzen aan het voorwaardelijk opzet. Kennelijk vond hij dat die grens was vervaagd, terwijl de gevolgen voor de straf wel aanzienlijk waren. Eigenlijk zijn we daarmee terug bij af. De waterscheiding tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld (roekeloosheid) is terug. Bij een dodelijk verkeersongeval zal het vaak betrekkelijk arbitrair zijn of verdachte wegens doodslag (opzet) of dood door schuld (culpa) wordt veroordeeld. In een motivering valt veel recht te breien en de controle daarop door de Hoge Raad zal betrekkelijk marginaal zijn. In andere gevallen van culpoos rijgedrag (onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam etc.) zal de bewijslast overigens minder zwaar zijn.

Copyright@2014Wedzinga