HR: Jeugdige getuigen en de wetssytematiek

Herziening Baybasin draait niet om manipulaties tap
mei 28, 2014
Roekeloosheid in het verkeer
juni 4, 2014
Show all

Aan het gebruik van verklaringen van getuigen  die nog geen 16 zijn, stelt de wetgever bijzondere eisen. Zij worden door de R-C niet beëdigd, maar aangemaand de waarheid te verklaren (art. 216a lid 2 Sv). En wanneer het van de verklaring  opgemaakte p-v voor het bewijs wordt gebruikt, moet dat in het vonnis in het bijzonder worden gemotiveerd. Ontbreekt die motivering, dan leidt dat tot nietigheid, zegt art. 260 lid 4. Krachtens art. 415 SV geldt art. 260 Sv ook in hoger beroep. Er kleeft kennelijk iets onbetrouwbaars aan die verklaringen.

In HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:437 ontbrak die motivering en was de door de jeugdige getuige bij de R-C afgelegde verklaring niettemin voor het bewijs gebruikt. De zaak was heftig. De getuige zou door zijn vader zijn bedreigd en mishandeld. En zijn verklaring was nodig om tot een bewezenverklaring en veroordeling te komen omdat vader geen bekentenis had afgelegd. Want weliswaar had zijn oudere broer over de mishandeling en bedreiging een verklaring afgelegd, maar dat is niet voldoende.

Die veroordeling was er dus gekomen, maar het Hof was in de fout gegaan. Een fout die rechters wel eens vaker maken. Art. 260 lid 4 Sv wordt soms over het hoofd gezien. Maar de HR strijkt deze plooi glad door een even inventieve als sympathieke redenering, die juridisch echter mank gaat en de wetsystematiek op zijn kop zet. Een redenering die overigens wel vaker is gebruikt. Want op het Plein kan men zich veel permitteren.

Omdat de bijzondere motiveringsplicht en de daaraan gekoppelde wettelijke nietigheid is gekoppeld aan art. 360 Sv, grijpt de HR terug op de verklaring van de jeugdige getuige bij de politie. Voor het gebruik van die verklaring geldt geen bijzondere motiveringsplicht.

Tegen deze achtergrond moet worden aanvaard dat de bij de Wet van 14 september 1995, Stb. 441 inzake vormverzuimen gehandhaafde doch niet nader toegelichte nietigheid die het vierde lid van art. 360 Sv stelt op het verzuim de in het eerste lid bedoelde motivering te geven, “onder omstandigheden” buiten toepassing kan blijven ten aanzien van de getuige bedoeld in art. 216a, tweede lid, Sv.”

In de volgende overweging redt de HR het kreupele arrest van het Hof:

“Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg de betrouwbaarheid van deze voor het bewijs gebezigde, tegenover de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] niet gemotiveerd is betwist, is in het onderhavige geval voor nietigheid van de bestreden uitspraak wegens de enkele niet-naleving van het voorschrift van art. 360, eerste lid, Sv, onvoldoende aanleiding. Het middel is tevergeefs voorgesteld. ”

De HR kan zich veel permitteren en met de uitkomst zal, naar ik aanneem, een ieder vrede hebben. Maar het is natuurlijk wel de wereld op zijn kop. Het zonder bijzondere motivering voor het bewijs bezigen van het p-v van een verklaring van een  jeugdige getuige bij de R-C wordt afhankelijk gesteld van de opstelling van de verdediging. Als die de betrouwbaarheid niet ter zitting betwist, wordt de nietigheid gerelativeerd wanneer de getuige ook bij de politie heeft verklaard. Zo gezien wordt de rechterlijke toets van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van die verklaring dus weggestreept en leidt rechterlijke slordigheid niet tot de door de wetgever geëxpliciteerde nietigheid. De verdachte wordt steeds meer afhankelijk van de opstelling van zijn advocaat en de strafrechter wordt steeds lijdelijker. Een civielrechtelijke benadering die terrein wint. Juridisch tamelijk bizar, maar vooral riskant vanuit het oogpunt van rechtsbescherming. Maar daar heeft de HR steeds minder boodschap aan, zo lijkt het.

Copyright@Wedzinga2014