De revolutie van rechter Goodwin tegen plea bargaining

De waarschuwing van opperrechter Breyer
mei 16, 2019
Mr. Big en de BOB: Opmerkingen n.a.v. conclusie AG in Posbankzaak (1)
juli 2, 2019
Show all

Het mag bekend worden verondersteld dat in de Verenigde Staten meer dan 95% van alle strafzaken niet eindigt in een bench- of jurytrial, maar via plea bargaining wordt afgedaan. Een overeenkomst tussen de aanklager en de verdediging die aan de rechter wordt voorgelegd en goedgekeurd. De rechter is weliswaar niet verplicht om de deal te fiatteren, maar in bijna alle gevallen fungeert de rechter als stempelkussen. Dat is om meerdere redenen begrijpelijk. De deal is immers het resultaat van onderhandelingen tussen de procespartijen met divergerende belangen en alleen daarom al moeten er goede redenen zijn om die deal van tafel te vegen en de zaak te laten voorkomen. Bovendien dient het instrument van plea bargaining de efficiency en dat is een groot goed in een toch al overbelast en verziekt strafrechtsysteem.

Uit het voorgaande volgt dat de rechter een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Hij mag de (proffer) deal weigeren. Een juridisch zeer interessante en belangrijke vraag is dan op welke gronden een rechter een overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging mag weigeren. Een degelijke weigering heeft namelijk ingrijpende gevolgen. De zaak wordt als gevolg daarvan op de zitting behandeld en de aard en omvang van de zaak hoeft in dat geval niet dezelfde te zijn als die in de overeenkomst aan de rechter werd voorgeschoteld (zie hieronder). Meestal volgt ook nog eens een aanzienlijk hogere straf dan die in de overeenkomst door beide procespartijen werd voorgesteld. Of die gevolgen ook reden kan en mag zijn om rechterlijke goedkeuring te onthouden, kan worden betwijfeld. Een meer voor de hand liggende reden is dat de rechter meent dat er sprake is van “plea coercion”. De verdachte is dan onder ongeoorloofde en/of disproportionele druk gezet om schuldig te pleiten, terwijl het bewijs te mager is. De prijs voor de verdachte wordt dan wel erg hoog. Kortom: er kunnen allerlei vragen rijzen die met zich meebrengen dat een rechter met argusogen naar de aan hem voorgelegde overeenkomst kijkt. Omdat het toch nog zelden voorkomt dat een rechter de overeenkomst weigert goed te keuren, bestaat er veel onduidelijkheid over de beoordelingsvrijheid die een rechter toekomt. Wat zogezien nodig is, is een rechter die er eigenzinnige opvattingen op nahoudt en tegen de stroom durft in te roeien door een plea bargain te weigeren en daarover een rechterlijk oordeel uit te lokken.

District judge Joseph Goodwin is zo’n eigenzinnige rechter. Goodwin, die in het zuidelijk district van West Virginia werkzaam is, heeft er een handje van om ook in “fairly routine cases” een plea deal te weigeren wanneer hij de overtuiging heeft dat de deal niet in het publieke belang is en niet zozeer de efficiency, als wel de gemakzucht dient. In 2017 is Goodwin met zijn stille revolutie tegen dit juridisch instrument begonnen. In de zaak die bekend staat als United States v. Walker weigerde hij een plea deal te accepteren in een drugszaak die daarvoor volgens vele Amerikaanse juristen juist geknipt was. Een zekere Walker werd beschuldigd van bezit van heroine en het voorstel was om Walker een gevangenisstraf tussen de 24 en 30 maanden op te leggen. Goodwin weigerde daarmee in te stemmen:

“The jury trial reveals the dark details of drug distribution and abuse to the community in a way that a plea bargained guilty plea cannot.  A jury trial tells a story.  The jury members listening to the evidence come away with personally impactful information about the deadly and desperate heroin and opioid crisis existing in their community.  They are educated in the process of performing their civic duty and are likely to communicate their experience in the courtroom to family members and friends.  Moreover, the attendant media attention that a jury trial occasions communicates to the community that such conduct is unlawful and that the law is upheld and enforced.  The communication of a threat of severe punishment acts as an effective deterrent.  As with other criminalized conduct, the shame of a public conviction and prison sentence specifically deters the sentenced convict from committing the crime again — at least for so long as he is imprisoned”.

Uit het bovenstaande citaat kan worden afgeleid dat het publieke belang en als afgeleide daarvan het vertrouwen in de strafrechtspleging doorslaggevend was voor de afwijzing. Omdat Goodwin de deal van tafel veegde werd de zaak alsnog op de zitting behandeld. Met dien verstande dat die zaak in aard en omvang veranderde. Bezit werd handel en er kwam een aanklacht bij wegens verboden wapenbezit. Als gevolg van een “guilty plea” voor handel in heroine en een jury conviction voor wapenbezit, werd Walker uiteindelijk tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld.

De weigering van Goodwin om de deal te accepteren werd in appel aan de rechters van het vierde circuit voorgelegd. Het leek een uitgelezen mogelijkheid om wat meer duidelijkheid over het instrument van de plea bargaining te scheppen. Helaas bleef die mogelijkheid onbenut omdat de appelbeslissing bleef steken in algemeenheden. Daardoor blijft tot verbazing van veel Amerikaanse juristen de onduidelijkheid bestaan.

Zaken afdoen via plea bargaining heeft voor- en nadelen. Enkele daarvan heb ik al genoemd. De straf tegen Walker werd door de jury zo ongeveer verviervoudigd. Dat heeft te maken met de wijze waarop de rol van de jury in het Amerikaanse strafrechtssysteem is veranderd. Vroeger was het namelijk verboden dat een jury een straf oplegde en mocht de door de rechter na een jurytrial opgelegde straf de voorgestelde straf die in de overeenkomst was opgenomen bovendien niet overstijgen. Nu loopt de verdachte het risico dat hij een aanzienlijk hogere straf krijgt opgelegd. Dat is ook constitutioneel gezien problematisch en maakt de weigering nog problematischer. Al met al is het de hoogste tijd dat rechters in de Verenigde Staten duidelijkheid scheppen. Het kan en mag niet zo zijn dat verdachten om een hogere (jury)straf te ontlopen, valse bekentenissen afleggen en die vastleggen in een deal met de aanklager.

Het Amerikaanse federale strafrecht verschilt wezenlijk van het Nederlandse. Meer ze groeien naar elkaar toe. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn veel ideeën uit het Angelsaksische common law systeem overgenomen. Plea bargaining is vooral uit hoofde van efficiency een buitengewoon aantrekkelijke manier om een strafzaak af te doen en het is dan ook niet verrassend dat de roep om ook in ons land deze modaliteit te introduceren steeds luider zal klinken. Als het al zover komt, moeten we lering trekken uit de ervaringen die in de Verenigde Staten zijn opgedaan. Zo zal het van groot belang zijn om zoveel mogelijk te voorkomen dat dwang wordt uitgeoefend (plea coercion). En omdat de rechter bij de toepassing ervan strikt genomen een beslissende stem heeft, dient de wet de rechter handvatten te bieden om de overeenkomst te beoordelen. Waar dat niet gebeurt, ontstaat een juridisch vacuüm. En daar heeft niemand behoefte aan.

Copyright@Wedzinga2019