Weekoverzicht beslissingen 24 april 2015
mei 1, 2015
Beveiligd: Het onderzoek tegen Demmink: stand van zaken
mei 13, 2015
Show all

Menig lezer zal nog nooit van het woord “co-creatie” hebben gehoord. En het begrip zal vermoedelijk slechts door een enkeling met het strafrecht worden geassocieerd. Daarin zou wel eens verandering kunnen komen. Want de “boze burger” bemoeit zich steeds meer met het recht en vooral met het strafrecht. Rechterlijke uitspraken worden niet als vanzelfsprekend geaccepteerd en het rechterlijk gezag is tanende. Reuring over rechterlijke dwalingen heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld. Ook de mediacratisering van het recht en vooral van het strafrecht heeft geleid tot dat wat door sommigen een “crisis in de strafrechtspleging” wordt genoemd. De aandacht in de media voor strafzaken is namelijk vaak eenzijdig, ondeskundig en wordt niet zelden ingegeven door de zucht naar  sensatie. En niet te vergeten is de burger van nu niet meer de burger van pakweg 20 jaar geleden. Een tijd waarin rechterlijke uitspraken als vanzelfsprekend werden ervaren. De burger van nu is mondiger, kritischer.

Bij dit alles heeft het internet een belangrijke rol gespeeld. In bijv. blogs en op twitter zijn veel kritische geluiden te horen over rechterlijke uitspraken. Op zichzelf valt dat toe te juichen. Het getuigt in ieder geval van betrokkenheid en de rechtspraak is in beginsel gebaat bij kritiek. Maar wel bij gefundeerde kritiek. Niet alle kritiek is even waardevol. De vraag is dan waarin de toegevoegde waarde van kritiek moet worden gezocht. In tevredenheid of in kwaliteit? Te vaak is de kritiek afkomstig van mensen die niet deskundig zijn en te vaak uit die kritiek zich in domme en aanstootgevende kretologie, waar onder het mom van vrijheid van meningsuiting belediging, smaad en laster hoogtij vieren.  

Dat laatste is onverteerbaar. Het eerste is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Rechts is weliswaar debat en debat is de motor tot verandering van het recht, maar daarin ligt  tevens besloten dat ontevredenheid over rechterlijke uitspraken een gegeven is. Maar tevredenheid c.q. ontevredenheid zeggen weinig of niets zegt over de kwaliteit van de strafrechtspleging. Kritiek dient daarom gerelativeerd te worden. De keerzijde van de medaille is dat ook het feit dat uit cijfers van het CPB blijkt dat gemiddeld ongeveer 65% van de burgers in Nederland vertrouwen in de rechtspraak heeft niet zoveel zegt. Zeker niet wanneer blijkt dat ook in verhouding tot andere landen Nederlanders op zijn best maar zeer matig te spreken zijn over de begrijpelijkheid, eenvoud en duidelijkheid  van rechterlijke uitspraken.

De voorlopige conclusie is dat rechters blij moeten zijn met kritiek en daar ook hun voordeel mee kunnen en moeten doen, maar dat we het dan wel moeten hebben over gefundeerde kritiek waarmee de kwaliteit van de (straf)rechtspraak is gebaat. Gefundeerde kritiek op rechterlijke uitspraken moet dus worden toegejuicht. Het komt de kwaliteit van de rechtspraak ten goede. Dat besef is steeds meer tot rechters doorgedrongen. Ik kan daarvan een aantal voorbeelden geven, maar beperk mij tot één. Een goed voorbeeld is dat in de civiele cassatieprocedure ongeveer twee jaar geleden een experiment is gestart, waarbij de Procureur-Generaal in geval van cassatie in het belang der wet zijn bevindingen aan burger kan voorleggen, die daarop kritiek kunnen leveren. Vervolgens kan dan de Hoge Raad die kritiek meenemen in zijn beslissing. Het experiment is beperkt van omvang, want beperkt tot  zaken waarin “nieuwe principiële rechtsvragen” een rol spelen. De burger heeft dus een zekere invloed, die wel als co-creatie wordt omschreven. Het woord “crowdsourcing” wordt meestal vermeden omdat de rechter uiteindelijk de beslissing neemt. Ik kom hier nog op terug.

Het is een eerste stap en de vraag is of die stap ook in het strafrecht moet worden gezet. Voor de hand ligt ook hier te denken aan de procedure waarin “nieuwe principiële rechtsvragen” door het parket van de Hoge Raad aan de orde worden gesteld. Evenals in het civiele recht heeft een dergelijke vorm van co-creatie echter als nadeel dat de burger veelal niet juridisch is onderlegd en uitgerekend bij deze procedure komt het op kundigheid aan. Daar tegenover staat dat het een primaire aanzet tot verbetering kan zijn. Maar de kritiek van burgers richt zich vooral op actuele strafzaken die in de media worden belicht. Een deel van die kritiek kan ongetwijfeld worden weggenomen wanneer de exposure in de media wat evenwichtiger is en (meer) is gebaseerd op kennis: “knowledge based journalism”. Daaraan schort het te vaak. En dat voedt onterechte vooroordelen over het strafrecht. Ik pleit er dan ook voor om na te denken over mogelijkheden om de burger al in het stadium waarin de zaak aan de rechtbank of het Hof is voorgelegd, te adiëren. Daarbij realiseer ik me dat deze gedachte niet is uitgewerkt en discussie behoeft. En ik teken daarbij aan dat het grote gevaar is dat het leidt tot te hooggespannen verwachtingen bij burgers. Want niet iedereen kan gelijk krijgen en we zullen moeten accepteren dat er altijd verschil van mening kan bestaan over de interpretatie van het recht. Public scrutiny is belangrijk, maar mag er niet toe leiden dat rechterlijke beslissingen hun grondslag vinden in domheid en onkunde.

Dat leidt tot de vraag hoe en op basis van welke criteria kritiek kan worden gefilterd. Mijn uitgangspunten hierbij zijn dat het enerzijds nuttig is om burgers (meer) bij de strafrechtspleging te betrekken en anderzijds onvermijdelijk moet worden geacht de beslissing aan de rechter over te laten. Een volksgericht is uit den boze. Het filteren van kritiek is minst genomen geen eenvoudige zaak. Hoe domme en ondeskundige kritiek te onderscheiden van gefundeerde kritiek die toegevoegde waarde heeft en de kwaliteit verhoogt?

Crowdsourcing is in ieder geval geen probaat middel, alleen al omdat dan de beslissing zou worden uitbesteed. Hiervoor heb al de term co-creatie gebruikt. Ik meen dat in dat kader innovatietheorie van socioloog Everett Rogers bruikbare aanknopingspunten biedt. In deze bijdrage kan slechts een aanzet tot verdere gedachtegang worden gegeven. Kort gezegd komt zijn theorie er op neer dat 90% van de kritiek vooral “consumerend” is. De toegevoegde waarde ontbreekt. Slechts 10% is zinvol. Dat is de kritiek die afkomstig is van “early adopters”. Die kritiek zou middels co-creatie een bijdrage kunnen leveren aan de kwaliteit van de rechtspleging. De belangrijkste kenmerken van co-creatie zijn dialoog en een zekere gelijkwaardigheid, die zich zou moeten uiten in een bepaalde mate van deskundigheid in het recht. De media kan hierbij een belangrijke rol spelen, maar ook echte deskundigen op het terrein van het strafrecht zouden meer naar buiten moeten treden. Ik zie ze zelden of nooit in de media.

Copyright@Wedzinga2015