Vormverzuimen in een politiestaat

Moet het Liquidatieproces overnieuw? Een eerste overpeinzing
september 16, 2014
De onzichtbare getuige in het voortbouwend appel
september 25, 2014
Show all

Er pleit veel voor om het woord “vormfouten” (strikt genomen staat er “vormen” in art. 359a Sv) in het Wetboek van Strafvordering te schrappen. Het woord verbloemt waarom het gaat. Het gaat heus niet over mineure schrijffoutjes in de tenlastelegging, zoals een verkeerd gespelde naam van de verdachte. Maar dat is wel een beeld dat veel mensen hebben. En vanuit die beeldvorming is het vanzelfsprekend dat een verdachte niet vanwege zo’n vergissing die met de kern van de zaak niets te maken heeft, mag worden vrijgesproken.

Maar dat gebeurde vroeger niet en dat gebeurt heden ten dage nog steeds niet. Het is een van de vele hardnekkige maatschappelijke misvattingen over het strafrecht. Sommige van die misvattingen zijn naar mijn overtuiging door de politiek aangegrepen om het Wetboek van Strafvordering dusdanig te veranderen dat politie en justitie meer bevoegdheden kregen, terwijl fouten die werden gemaakt bij de opsporing en vervolging  zoveel mogelijk konden worden weggemasseerd.  Art. 359a Sv is daarvan een goed voorbeeld.

De tekst spreekt van “vormen” die zijn “verzuimd” in het voorbereidend onderzoek. Zoals tussen de regels door al bleek kunnen die “vormen” ernstig zijn. Een kras voorbeeld daarvan levert Hof Arnhem-Leeuwarden 16 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7186. Aan de verdediging was een deskundigenbericht over de doodsoorzaak dat vanaf 18 maart 2011 beschikbaar was pas begin september 201 aan de verdediging ter hand gesteld. Dat is in strijd met het systeem van ons Wetboek van Strafvordering dat er van uit gaat dat de verdediging zo spoedig als mogelijk over de processtukken beschikt. Het Hof heeft het in zijn arrest over een “doelbewust en ernstig verzuim”, maar omdat dat verzuim is gerepareerd, blijft het zonder gevolgen. Art. 359a Sv heeft het over “onherstelbare” verzuimen en was derhalve niet van toepassing. Artikel 6 lid 3 jo. artikel 6 lid 1 EVRM wordt door het Hof niet genoemd en er was kennelijk ook geen beroep op gedaan. Maar de autonome betekenis van het recht op een fair trial in artikel 6 lid 1 EVRM had een aanknopingspunt kunnen vormen. Dat strekt zich ook over het voorbereidend onderzoek uit (niet voor niets wordt van het recht op een “eerlijke behandeling” gesproken) en waarom zouden zulke doelbewuste (zie verderop) en ernstige verzuimen “ongestraft” blijven, ook al zijn ze later rechtgetrokken. Wanneer dit soort manipulaties (zie wederom verderop) zonder gevolgen blijven, krijgen politie en justitie vrij spel. Dat is nu juist niet de bedoeling, dacht ik.

Het was niet toevallig dat het deskundigenbericht zo lang op zich liet wachten. Uit het arrest blijkt dat het de bedoeling was om eerst apparatuur te installeren die het mogelijk maakte verdachten en hun naasten direct af te luisteren, om de reacties op het rapport van de deskundige te registreren. Een opzetje dus. Bedoeld om het zwijgrecht waarop verdachten zich beriepen te “ondermijnen”. Maar het leverde geen bewijsmateriaal op en dus is de kous af. Soms loont falen. Kennelijk. In dit verband rijst echter de vraag of een doelbewuste poging tot ondermijning van misschien wel het meest fundamentele recht dat een verdachte heeft (het zwijgrecht) zonder gevolgen mag blijven. Hier zouden de beginselen van een goede procesorde en dan in het bijzonder het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging mogelijk tot niet-ontvankelijkheid van de OvJ hebben geleid. ik heb niet de indruk dat er een beroep op is gedaan. Maat wat daarvan ook zij, het Hof volstond met de constatering dat geen bewijsmateriaal is verkregen. Dat leidt tot (verdere) vervuiling van de opsporing.

Dat is nog niet alles. De politieambtenaren die de verdachte verhoorden probeerden haar van haar zwijgrecht “af te praten” door in te spelen op haar gevoel en haar dus meer of minder onder druk te zetten. Daarmee werd het pressieverbod dat in artikel 29 Wetboek van Strafvordering besloten ligt als het ware overtreden. Tevergeefs. Want de verdachte was niet te vermurwen en hield voet bij stuk. Opnieuw spreekt het Hof in krachtige bewoordingen van een “doelbewust” en “ernstig” verzuim.  Maar ook op dit punt wil het Hof van een niet-ontvankelijkheid niet weten. Beslissend lijkt te zijn dat de verdachte bij de berechting van de zaak niet is benadeeld.

Door daarop het accent te leggen, miskent het hof mijns inziens de strekking van art. 359a Wetboek van Strafvordering. Het tweede lid van dat artikel noemt drie factoren op die bij de bepaling van de sanctie op niet herstelbare vormverzuimen een rol spelen: 1. het belang van het geschonden voorschrift b. de ernst van het verzuim c. het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. In HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:203:BY5321 werd overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of verdachte nadeel heeft geleden “onder meer van belang is of en in hoeverre de verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad”.  

Ik vind dat meer passen bij een eventuele bewijsuitsluiting dan bij een niet-ontvankelijkheid. En het gaat mij te ver om, zoals het Hof doet, uitsluitend te kijken naar de berechting. Die versmalling volgt niet dwingend uit de wetstekst. De niet-ontvankelijkheid is inderdaad door de wetgever bedoeld als een uitzonderlijke sanctie. En dient te volgen “indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet”.  Daarbij eist de HR dat door die inbreuk “doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan”. Een overigens in mijn ogen te rigide eis, die de wetgever niet stelt en de HR uit de hoge hoed tovert. Maar wel een eis waaraan ook naar het oordeel van de rechtbank was voldaan. Want die had het OM niet-ontvankelijk verklaard.

Al met al ben ik van oordeel dat de behandeling van de zaak niet aan de eisen van een behoorlijke procesorde voldoet. Doorslaggevend zijn voor mij de aard van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim. Het Hof ziet het anders en dat is gevaarlijk. Wanneer politie en justitie die een enorme machtspositie hebben ongestraft geschreven en ongeschreven spelregels aan hun laars mogen lappen waarbij (een doelbewuste poging tot) inbreuk wordt gemaakt op fundamentele rechten van de verdachte, is de controle zoek. Dat past in een politiestaat.

Copyright@Wedzinga2014