Het slachtoffer: Een beetje getuige en ook weer niet
17 juli 2014
De oorlog in de Donbass
4 augustus 2014
Show all

Lokfiets

 

 

 

 

 

Bij bestrijding van zware, georganiseerde criminaliteit, is de politie bij de opsporing doorgaans aan wettelijke regels gebonden. Voor infiltratie, observatie en andere (bijzondere) opsporingsmethoden die inbreuk maken op grondrechten van burgers gelden specifieke  regels die hun plaats hebben gevonden in het Wetboek van Strafvordering. Gaat de politie over de schreef, dan kan dat gevolgen hebben. Maar in de praktijk wordt dankzij de bereidwillige medewerking van wetgever en rechter vaak een oog toegeknepen. Er moet wel erg veel mis zijn gegaan, wil de rechter het Openbaar Ministerie (dat verantwoordelijk is voor de opsporing en vervolging) op de vingers tikken. Niet-ontvankelijkheid van het OM is een exotische uitzondering geworden.

Bij lichte(re) vormen van criminaliteit is veel niet geregeld. Althans niet wettelijk. Daarmee is niet gezegd dat de politie een vrijbrief heeft bij de opsporing. Buitenwettelijke opsporingsmethoden worden gereguleerd door ongeschreven beginselen en uitgangspunten. Een daarvan is het zogenaamd Tallon-criterium, dat overigens ook een rol spelt bij de wettelijke regulering van de bijzondere opsporingsmethoden. Dat criterium komt er op neer dat de politie geen strafbare feiten mag uitlokken. in juridische taal: de politie mag “de verdachte niet brengen tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet is gericht”.  Het is de politie dus niet toegestaan criminaliteit te genereren.

Maar hoe stel je vast of dit criterium al dan niet is overschreden? En welke consequenties worden aan overschrijding verbonden? Hierbij dient te worden bedacht dat naarmate de toepassing van dit criterium wordt geminimaliseerd, aan de opsporing minder restricties worden gesteld. Leidt dat niet tot onbehoorlijke opsporing?

De kwestie speelde o.a. in HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9817. Uit een proces-verbaal bleek dat verbalisanten nabij het NS station te Deventer aan het posten waren op fietsendieven in het kader van een fietsenproject van de politie. Ze hadden daartoe een zogenoemde lokfiets geplaatst op een plek waar veelvuldig fietsendiefstallen plaatsvinden. De lokfiets stond niet op slot en werd gestolen. Een geval van ongerichte uitlokking. De verbalisanten hadden het niet gemunt op verdachte.

De vraag is of verdachte door deze vorm van ongerichte uitlokking  werd gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet was gericht? Een vraag die strikt genomen niet te beantwoorden is. Niettemin gaf de HR zijn fiat aan deze wijze van opsporing:

“Het oordeel van het Hof komt erop neer dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de politie omdat de verdachte door het plaatsen van de lokfiets niet is gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van ‘s Hofs hiervoor onder 2.2.3 weergegeven vaststellingen. De Hoge Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat – naar volgt uit het verhandelde ter terechtzitting – de politie te dezen niet meer heeft gedaan dan het plaatsen van de desbetreffende fiets op een plek waar veel andere fietsen plegen te worden gestald en waar veelvuldig fietsen worden gestolen, om vervolgens af te wachten wat met de lokfiets zou gebeuren. De enkele omstandigheid dat die fiets niet was afgesloten, dwingt niet tot een ander oordeel”.

Uit de overweging lijkt te voldoen dat het accent ligt op de passiviteit van de verbalisanten en de plaats waar de fiets werd gestald. Van een normering ven dergelijke vormen van ongerichte uitlokking kan niet worden gesproken.

De uitspraak van de HR lijkt hiermee op gespannen voet te staan met uitspraken van het EHRM. Die uitspraken normeren de inzet van opsporingsmethoden aan de hand van wat wij noemen “proportionaliteit” en “subsidiariteit”. Het EHRM heeft het over “appropriate measures”. Daarin lijkt de behoorlijkheid van de opsporing centraal te staan. A-G Knigge trekt uit het arrest Teixeira de Mattos m.i. terecht de conclusie “dat het politieoptreden niet een zodanige invloed op de betrokkene mag uitoefenen dat deze daardoor tot het plegen van het strafbare feit wordt bewogen. De nadruk ligt aldus sterk op de behoorlijkheid van de gehanteerde opsporingsmethode: worden mensen door het plaatsen van een lokfiets tot diefstal uitgelokt?”.

Deze opvatting mocht de HR niet vermurwen. En dat zegt veel omdat de integriteit van de rechtshandhaving in het geding is. In de rechtspraak van de HR speelt dat aspect een andere, minder prominente rol. Er mag kennelijk veel, heel veel. En daarmee wordt de lijn doorgetrokken. Bij zware criminaliteit heeft overtreding van wettelijke regels bij de opsporing nauwelijks nog gevolgen. En bij de lichtere vormen van criminaliteit vindt nauwelijks normering plaats. Dat lokt uit tot pervertering van de strafrechtshandhaving.

Copyright@Wedzinga2014