Rechtsbijstand advocaat aan niet aangehouden verdachten
november 28, 2014
Moord in de verleden tijd
januari 19, 2015
Show all

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Maar kent zijn grenzen. Grenzen die met grote regelmaat worden overschreden door mensen die, vaak onder een pseudoniem of aka, op internet de meest grove beledigingen debiteren. Dat valt dan onder belediging, smaad, laster of discriminatie, dat in verschillende varianten strafbaar is gesteld.

Een politicus mag zich meer permitteren dan een gewone burger. Dat is juridisch onomstreden en vindt bevestiging in een reeks uitspraken van het EHRM. In een politiek debat moet een politicus zijn opvattingen kenbaar kunnen maken, ook al zijn die grievend of schokkend.

Dat laatste speelde een rol bij een strafzaak tegen de lijsttrekker van de Republikeinse Moderne Partij die in het kader van een verkiezingsdebat in 2010 in de Rode Hoed vergaande uitspraken deed over homoseksuelen.  Delano F. moet ze niet en maakte daar geen geheim van. Niet tijdens het debat en ook later niet toen hij voor de camera’s van AT5 werd geïnterviewd.

Enkele kenmerkende uitspraken die ik uit de tenlastelegging overneem waren:

‘Ja, kijk de ellende is dat eh dat we te maken hebben met agressieve homofielen he. En die agressieve homofielen zitten in het bestuur van de partij. En dat werkt naar beneden…’ en/of ‘Het is echt een hele dominante homofiele groep’ en/of ‘Het is heel normaal he om te zeggen van ik heb een hekel aan homofielen’ en/of ‘We hebben te maken met hele agressieve homofiele groepen hier. Zoals die homofielen bij de politie. Weetje, kijk dat, dat moet gewoon weg’ en/of ‘Kijk het zijn die mensen met die seksuele afwijkingen die moeten gewoon eigenlijk bestreden worden door de hetero’s, vind ik’ en/of ‘Laatste zag ik op tv dat een dominee hostie weigerde aan een homofiel. En dat die homofiel aangifte deed. Nou ik denk dat de dominee aangifte had kunnen doen wegens belediging van het christelijk geloof. Dat de homofiel ja eigenlijk naar hem toekomt, en ja best wel dominant is’ en/of ‘Dus mensen met afwijkende sekse die, die pakken we aan.’ en/of ‘Die mensen er uit sodemieteren’ en/of ‘Nou in ieder geval de homofiel. Ja, het spijt me maar die moet even weg want we zijn hetero. En die mensen met andere seksuele geaardheid zoals met andere afwijkingen’ en/of ‘Ik denk dat Amsterdam staat te snakken naar een hele mooie heteroseksuele Adam en Eva eh periode’ en/of ‘Nou de homofiel wordt gewoon te dominant en we zijn hetero.’ en/of ‘Weet je, dat die man met een andere man of een vrouw met een andere vrouw, ja dat is afwijkend gedrag, dat moet effetjes weg. We willen even een heterostad’ en/of ‘hij heeft netwerken opgebouwd voor vieze mannetjes en vieze vrouwtjes, bij de politie bijvoorbeeld.’ en/of ‘Dus het wordt weer een heteroland. U hoeft niet meer bang te zijn dat de homofiel weer te dominant wordt’, althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking.”

Geen kattenpis, zou ik zeggen. De politicus werd dan ook vervolgd voor groepsbelediging (art. 137c Sr) en aanzetten tot discriminatie (art. 137d Sr). Maar de vervolging leed schipbreuk omdat het Hof hem vrijsprak. De AG had betoogd dat dergelijke uitspraken niet konden worden gezien als een “evidente bijdrage aan het maatschappelijk debat”, maar dat mocht volgens de HR niet baten. Het Hof beriep zich op artikel 10 EVRM, waarin de vrijheid van meningsuiting is verankerd.

De motivering leunt sterk op de rechtspraak van het EHRM. Die motivering loopt langs de volgende lijnen. Eerst stelt het Hof vast dat op basis van die rechtspraak ook uitingen die ‘offend, shock, or disturb’ onder de paraplu van artikel 10 lid 1 EVRM vallen (EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236, r.o. 49, Handyside en EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 42). Vervolgens concludeert het Hof dat politici een sterke bescherming van hun uitingsvrijheid genieten (EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 42, Castells) en (EHRM 22 oktober 2007, NJ 2008/443, r.o. 46, Lindon). De derde pijler is dat de uitingsvrijheid niet alleen de inhoud, maar ook de vorm betreft. Overdrijving en provocatie zijn in beginsel toegestane politieke stijlmiddelen. Het EHRM overweegt voorts dat deze bescherming zich ook uitstrekt tot uitingen die buiten het parlement zijn gedaan (EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 43).

Het toetje van het Hof is eveneens bereid in de keuken van het EHRM. In verband met de vaststelling of een uiting in het openbaar debat geoorloofd is maakt het EHRM, zo merkt het Hof terecht op, een onderscheid tussen feitelijke oordelen, die in beginsel moeten berusten op een toereikende feitelijke grondslag, en waardeoordelen (EHRM 22 oktober 2007, NJ 2008/443 Lindon e.a). Deze laatste categorie uitingen zijn volgens het Hof in beginsel vrij en vereisen geen feitelijke onderbouwing (EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/ 901, Lingens), ook niet indien zij ‘shock, offend or disturb’ (EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236, Handyside), tenzij het waardeoordeel een feitelijke grondslag veronderstelt of indien het waardeoordeel excessief is (EHRM 15 november 2007, nr. 12556/03, Pfeiffer). In de laatste twee gevallen mag de eis van een feitelijk toereikende grondslag worden gesteld.

En dat alles wordt in de volgende overweging van het Hof samengevat:

“Voor politici, die deelnemen aan een publiek debat over een zaak van algemeen belang (EHRM 24 februari 1997, NJ 1998/360, HUMO en EHRM 24 juni 2004, NJ 2005/22, Von Hannover) geldt ten aanzien van waardeoordelen dat aan hen een zeer ruime uitingsvrijheid toekomt, met uitsluiting van uitingen die aanzetten tot haat of geweld (EHRM 20 april 2010, NJ 2010/429, Le Pen; EHRM 15 maart 2011, NJ 2012/491, Mondragon; Rechtbank Den Haag 7 april 2008, NJF 2008/227, Wilders)”.

Het verdient de aandacht dat het Hof een politicus in een publiek debat vrijwel carte blanche geeft, behalve wanneer wordt aangezet tot haat of geweld. In dat geval, zo lees ik de overwegingen van het Hof, zijn de gewraakte uitlatingen “excessief” omdat zij de strekking hebben om te bedreigen en/of te intimideren. Het Hof interpreteert de artt. 137c en 137d Sr verdragsconform en komt tot de slotsom dat zelfs indien de uitlatingen vallen onder de delictsomschrijving van de genoemde strafbepalingen, een vrijspraak op grond van art. 10 lid 1 EVRM geïndiceerd is.

Omdat het gaat om een strikt juridische debat, heeft de HR de cassatie technische ruimte om zich ten volle te buigen over de door het Hof aan artikel 10 EVRM gegeven uitleg. En daarvan lijkt de HR gretig gebruik te maken.

Vrij subtiel maakt de HR onderscheid tussen uitlatingen die de strekking hebben om te bedreigen en/of te intimideren en die welke aanzetten tot haat of geweld. Het Hof gooit dat alles op een hoop, het geen vrij slordig is. Maar daarover struikelt de vrijspraak niet. Wat opbreekt is dat de HR, anders dan het Hof, voor strafbaarheid ex artt. 137c en 137d Sr ook van belang acht of een uitlating “onnodig grievend” is. Bij dat laatste kent de HR gewicht toe aan uitlatingen die “aanzetten tot onverdraagzaamheid” (zie m.n. overweging 4.4.4).

Heel zuiver is die overweging van de HR in mijn ogen niet. Aanzetten tot onverdraagzaamheid lijkt ruimer dan onnodig grievend. Wat er ook van zij, er sluipt een zeker paternalistisch en/of moralistisch element door in de wijze waarop de HR de strafbaarheid van publieke uitlatingen door politici beoordeelt. In de zienswijze van de HR, die overigens in uitspraken van het EHRM te herkennen valt, is een politicus eerder strafbaar. En dat kan bijv. ook in de zaak Wilders van belang zijn.

Waar het Hof dit in zijn overwegingen heeft miskend, is de vrijspraak dus “onzuiver” en wordt de uitspraak van het Hof vernietigd. Een arrest met gevolgen, dunkt me.

Copyright@Wedzinga2014