Opleggen voorlopige hechtenis tussen neus en lippen door
september 16, 2013
Wetsvoorstel adviesrecht slachtoffer (1): De verborgen agenda van Teeven
oktober 7, 2013
Show all

In het AD van 23 september 2013 staat een artikel over een student die door een agent van de politie Rotterdam in elkaar werd geslagen. Het artikel staat niet op zichzelf. De laatste tijd ligt de politie behoorlijk onder vuur. Niet alleen wegens (onnodig) geweld tegen burgers, maar ook wegens het manipuleren van het opsporingsonderzoek. Soms in nauwe samenhang met het OM. Dan heb ik het over bijv. het beïnvloeden van getuigen, het opnemen van “aangepaste” verklaringen van verdachten in het p-v, het verdonkeremanen van ontlastend bewijs en het niet doorrechercheren van alternatieve scenario’s.

Ybo Buruma, raadsheer van de HR, maakte van zijn hart geen moordkuil en pleitte in het Nederlands Juristenblad voor een “algehele kwaliteitscontrole”, daarbij met kennelijke instemming verwijzend naar VU-hoogleraar Borgers die voorstander is van een “inspectie-achtige instantie” die politiefouten inventariseert, aanbevelingen doet en eventueel individueel maatregelen neemt (Delikt en Delinkwent 2012/25). Naar het oordeel van NRC-journalist Folkert Jensma gaat dit niet ver genoeg. In zijn weblog in het NRC van 7 september j.l. hekelt hij met name de slappe aanpak door de rechter.

Het artikel van Jensma behoeft correctie. Hij haalt van alles en nog wat door elkaar. Niet onlogisch, want strafrecht is een specialisme op zich en veel journalisten schrijven er over zonder de spelregels te kennen of de kennis daarvan te etaleren. Mijn kritiek op zijn schrijfsel richt zich vooral op het feit dat Jensma zijn pijlen te veel op de rechter richt en kennelijk over het hoofd ziet dat het OM veeleer de “boosdoener” is.

Laat ik om te beginnen zeggen dat ik het eens ben met Jensma dat in zaken waarin de politie in de fout gaat veel onder het tapijt wordt geveegd en als dat niet gebeurt is de straf vaak opvallend mild. De tapijtvegers moeten echter vooral bij het OM worden gezocht. Politie en OM vormen vaak twee handen op één buik. Ze werken nauw samen bij de opsporing en tijdens de vervolging en dat cultiveert een zekere verwantschap die kan doorslaan in protectionisme. Als er al een onderzoek door de Rijksrecherche plaatsvindt, leidt dat vaak tot niets en als het wel tot iets leidt moet het wel heel exceptioneel zijn wanneer het OM strafvervolging instelt.

Jensma zou dus eerder het OM het vuur aan de schenen moeten leggen. Daar ligt de kern van het probleem. Het OM heeft (te) veel macht en wordt nauwelijks gecontroleerd in ons strafvorderlijk systeem. Ik ben dan ook geen voorstander van alweer een commissie of inspectie, zoals bepleit door Borgers. Tandeloos of niet. Beter zou zijn om de beklagprocedure op te tuigen en aan te scherpen, bijv. door in plaats van een marginale toetsing van de opportuniteit een volledige rechterlijke toetsing in te bouwen. Dan heeft het Hof meer mogelijkheden om het OM op de vingers te tikken. Daarbij teken ik tevens aan dat de samenstelling van de beklagkamer van het Hof dusdanig moet zijn dat daarin geen voormalig lid van het OM dient te zitten. Dat gebeurt nog te vaak en zonder kwader trouw te veronderstellen, zal de affiniteit met het werk van het OM een rol kunnen spelen bij de beoordeling. De kwalijke invloed van het virus dat belangenverstrengeling heet is in ons land kennelijk nog niet goed doorgedrongen.

Folkert Jensma gooit alle beroepsfouten op één hoop en hekelt de rol van de rechter bij de aanpak door te wijzen op het feit dat slechts bij uitzondering een niet-ontvankelijkheid van het OM wordt uitgesproken. Het jurisprudentieel criterium voor de niet-ontvankelijkheid noemt hij niet en het criterium dat hij wel noemt, is een slag in de lucht. Dat door de HR geïntroduceerde criterium komt hierop neer dat een niet-ontvankelijkheid van het OM moet worden uitgesproken wanneer er sprake is van “ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte wordt tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling”. Later voegde de HR hieraan toe dat zeer fundamentele inbreuken niet-ontvankelijkheid kunnen opleveren, ook al zijn de belangen van de verdachte niet geschaad. Dat is ingewikkelde juridische vaktaal. Maar de neiging om een artikel voor de lezer begrijpelijk te maken, kent zijn grenzen.

Al met al is het criterium voor niet-ontvankelijkheid door de HR zo aangescherpt, dat de rechter het vaak niet aandurft een niet-ontvankelijkheid uit te spreken.  De kans dat de HR de staf breekt over de motivering er van wordt dan kennelijk te groot geacht. Bewijsuitsluiting is dan aantrekkelijker, ook al omdat vrijspraak niet per definitie is geïndiceerd. Strafverlaging is ook een goede optie. Soms laat de rechter het zelfs bij de enkele constatering dat er fouten zijn gemaakt. De wetgever heeft hem daarvoor in art. 359a Sv de ruimte gegeven. Jensma heeft het niet alleen over politiegeweld, maar heel in het algemeen over politiefouten. Maar de ene fout is de andere niet. Geweldgebruik door de politie wordt vaak geseponeerd door het OM, een beklagprocedure is in de meeste gevallen bepaald niet kansrijk en als het al tot strafvervolging komt, heb ik de indruk dat het begrip van de rechter voor de bijzondere positie van de politie wel erg groot is. De straf is dan navenant erg laag. Ander soortige fouten van de politie komen in de regel pas aan het licht op de zitting. Dan is er dus al strafvervolging ingesteld. In die gevallen dient de kritiek zich inderdaad meer toe te spitsen op de rechter die m.i. vaker een niet-ontvankelijkheid zou moeten uitspreken. Een niet-ontvankelijkheid komt bij politie en OM harder aan dan een vrijspraak en legt ook meer het accent op de noodzaak tot cultuurverandering. Het past ook beter bij het stelsel van het EVRM. Ik sluit af. Politiefouten moeten vaker en strenger strafrechtelijk worden aangepakt. De kritiek moet zich echter vooral toespitsen op het OM. Het optuigen van de beklagprocedure is één van de mogelijkheden om er iets aan te doen. Daarnaast moeten rechters meer lef hebben om dergelijke fouten, waarbij ook het OM vaak een dragende rol speelt, hard aan te pakken door een niet-ontvankelijkheid uit te spreken.

Copyright@Wedzinga2013