Het liquidatieproces: De verspeelde troefkaart van het OM

Over klassenjustitie, belangenverstrengeling en een tikkende tijdbom die Fortuyn heet
26 oktober 2009
De sopranos van de DSB
27 november 2009
Show all

 

De omvang van het liquidatieproces is voor Nederlandse begrippen enorm: 11 verdachten, negen moorden, 170.000 afgeluisterde telefoongesprekken, meer dan 10.000 processen-verbaal, een procesdossier van 250 ordners, jarenlang opsporingsonderzoek, 50 gerechtelijke vooronderzoeken, ongeveer 1000 verhoren van getuigen en verdachten, vier rechters, vijf aanklagers en een bataljon advocaten. Het strafproces zal naar verwachting 14 maanden duren, waarbij gemiddeld drie keer per week een zittingsdag wordt gehouden. Niet ten onrechte wordt het proces dan ook wel als de “grootste strafzaak ooit” gekenschetst. De kosten zijn enorm en er staat voor de verdachten en het OM veel op het spel. Wat betreft het OM speelt vooral dat de vele onopgeloste liquidaties sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw in het criminele milieu uit een oogpunt van strafrechtshandhaving onverteerbaar waren en bijdroegen aan een beeld van een machteloos politie- en justitieapparaat, dat niet in staat was de georganiseerde misdaad effectief te bestrijden. Dat beeld moest worden gecorrigeerd, koste wat het kost. Het prestige van het OM is kennelijk heel wat waard.

Het proces is inhoudelijk op 9 februari 2009 begonnen en we zijn nu pakweg zeven maanden verder. Zeven maanden die vooral in het teken hebben gestaan van rechters, advocaten en officieren van justitie, die met een zekere regelmaat met elkaar overhoop lagen. Daarbij lag het accent vooral op de onpartijdigheid van de rechtbank, de betrouwbaarheid van kroongetuige Guiseppe (Peter) la Serpe en de modus operandi van het OM. Een OM dat het proces bouwt op de verklaringen van de doorgewinterde crimineel Peter la Serpe – die nota bene zelf ook verdachte is – en dat daarom en om andere redenen vanaf het begin van het proces zwaar onder vuur is komen te liggen. Want het OM bleek maar liefst 177 geheimhoudersgesprekken tussen de verdachten en hun advocaten niet (“onverwijld”) te hebben vernietigd, terwijl de wet dat uitdrukkelijk voorschrijft, ernstig inbreuk te hebben gemaakt op de privacy van het kantoor van advocaat Plasman door bankafschriften op te vragen om er achter te komen wie de rekeningen van Fred R., de cliënt van Plasman, betaalde en verantwoordelijk te zijn voor het feit dat de kroongetuige met daderinformatie is gevoed, waardoor hij zijn verklaringen over de moord op Houtman kon bijstellen. Of die daderinformatie afkomstig is van het OM en/of van de politie is irrelevant, omdat het OM zorg moet dragen voor een “richtige” opsporing.

In het begin van het strafproces diende advocaat Plasman namens zijn cliëntFred R. een wrakingsverzoek in, omdat de voorzitter van de rechtbank, mr Lauwaers, vorig jaar vier medeverdachten van Fred R. al had veroordeeld. Maar de wrakingskamer, die uit collegae van Lauwaers bestond, wees dat verzoek af omdat bij die eerdere veroordeling niets over de betrouwbaarheid van Fred R., die de opdrachtgever van de liquidatie zou zijn, werd gezegd. Een beslissing waar wel wat op valt af te dingen, omdat verdedigd kan worden dat mr. Lauwaers de schijn van partijdigheid tegen zich heeft, zeker wanneer uit dat eerdere vonnis de betrokkenheid van Fred R. bij de liquidatie kan worden afgeleid. En om dat laatste gaat het naar geldend recht. De betrouwbaarheid van Fred R., die door de wrakingskamer als ijkpunt werd gebruikt, speelt slechts een daarvan afgeleide rol. Het komt mij voor dat de rechtbank een groot risisco heeft genomen en ik sluit niet uit dat artikel 6 EVRM, waarin het recht op een onpartijdige rechter is verankerd, is geschonden. Als ik rechter was geweest had ik het zekere voor het onzekere genomen en mr. Lauwaers van de zaak gehaald. Maar ik heb de bewijsconstructie in dat eerdere vonnis niet kunnen reconstrueren en neem daarom maar aan dat de beslissing de toets der kritiek wel kan doorstaan. Vooral omdat uit de rechtspraak van de HR blijkt dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen de rechterlijke onpartijdigheid in het geding is. Het EHRM lijkt op dit punt strenger te zijn dan de HR. Of moet ik zeggen: minder naïef? En ik kan mij ook niet aan de indruk onttrekken dat daar waar het gaat om de voorzitter van de rechtbank die zich al en het onderzoek op de zitting zou moeten leiden, de rechtbank niet gauw geneigd was mr. Lauwaers van de zaak te halen.

Terecht hebben de advocaten vervolgens de staf gebroken over het feit dat de geheimhoudersgesprekken niet waren vernietigd en veel advocaten roepen dan al automatisch dat het OM niet-ontvankelijk is. Volgens die advocaten levert de wetsovertreding zo’n ernstige inbreuk op de privacy op (art. 8 EVRM), dat het OM het recht om de verdachte te vervolgen heeft verspeeld. Die gedachte is begrijpelijk. Het is niet niks dat politie en justitie vertrouwelijke gesprekken tussen advocaten en verdachten mogen afluisteren. Maar het mag wel, want een klacht van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten is in 2005 door de rechter in kort geding afgewezen en in de doctrine wordt die beslissing als maatstaf gehanteerd. Dat de wet voorschrijft dat die gesprekken onverwijld moeten worden vernietigd is een gotspe, omdat politie en justitie wel op de hoogte zijn van de inhoud van die gesprekken en die informatie derhalve versluierd bij het opsporingsonderzoek kan worden gebruikt. Eigenlijk zou het verboden moeten zijn om die gesprekken te tappen, maar dat zal technisch vermoedelijk niet te realiseren zijn. Het OM beweert ondertussen dat van die 177 gesprekken slechts 8 inhoudelijk van aard waren. Wat daarvan ook zij, het niet vernietigen van de gesprekken zal niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Weliswaar heeft het OM de wet overtreden, maar als de verdediging er niet in slaagt aan te tonen dat politie en justitie op basis van de verkregen informatie hebben doorgerechercheerd, ligt niet-ontvankelijkheid van het OM naar geldend recht niet voor de hand. Er zijn mij twee uitspraken bekend waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard, maar dat waren minder gezaghebbende uitspraken van lagere rechters.

De troefkaart van het OM waren de verklaringen van Peter la Serpe, de spijtoptant die, naar eigen zeggen, uit het criminele milieu wilde stappen en uit de school klapte. Die verklaringen vormen het bindmiddel tussen de meeste liquidaties. Maar in de loop van het proces heeft het OM die troefkaart uit handen gegeven. En dat was voorspelbaar. Van meet af aan, speelde het OM namelijk een gevaarlijk spel, door geen infiltrant in te zetten, maar met een criminele kroongetuige in zee te gaan. Een pact met de duivel. En in dit geval een duivel in het kwadraat. Want La Serpe is zelf verdachte en had zijn verklaringen slechts van “horen zeggen” en niet “uit eigen wetenschap” . Hij verklaarde vooral wat de hoofdverdachte Jesse R. hem had verteld en zo gezien werd Jesse R. dus op zijn eigen verklaringen afgerekend. Een curieuze en dubieuze constructie waarbij een verkapte bekentenis met wat steunbewijs tot een veroordeling van Jesse R. en een reeks medeverdachten zou moeten leiden. Maar tijdens het proces brokkelde de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van “vieze” Peter steeds meer af. En nu heeft uitgerekend zijn broodheer, het OM, hem het laatste zetje gegeven. . 

Want het voeden met daderinformatie over de vindplaats van de kogelhulzen en de positie waar de auto zich bevond, was de druppel die de emmer deed overlopen. Als  die daderinformatie is verschaft om de verklaringen van La Serpe te sturen en/of als is geprobeerd en dient het OM m.i. niet-ontvankelijk te worden verklaard. Maar dat is niet eenvoudig aan te tonen. Daarom is het meest waarschijnlijke scenario dat de verklaringen van Peter la Serpe onbruikbaar zijn voor het bewijs, tenzij de rechters die verklaringen splisten. Als de rechtbank in de bewijsconstructie slechts die delen van de verklaringen van de kroongetuige opneemt die zij wel geloofwaardig en betrouwbaar acht, is een veroordeling alsnog denkbaar. Dat zou het rechtsgevoel van veel Nederlanders bevredigen, maar niet het mijne. Er zijn meer Nederlanders op basis van onderbuikgevoelens door de strafrechter veroordeeld, waarbij wat mij betreft zaken als Lucia de B. en Louis H. er uit springen. Ik zou dat als rechter niet meer voor mijn rekening willen nemen. Na de veroordeling van Danny K. ben ik veel voorzichtiger geworden en besef ik pas goed hoe belangrijk de onschuldpresumptie is. Ik ben dan ook van oordeel dat de rechters de verklaringen van Peter la Serpe niet mogen splitsen. Het is kiezen of delen. En wat mij betreft is de slotsom duidelijk: in dubio pro reo. Vrijspraak.

Als het liquidatieproces uitmondt in een vonnis waarbij alle of de meeste verdachten niet worden veroordeeld, kan dat een belangrijke les zijn. Ongetwijfeld zullen schreeuwers als Teeven en Eerdmans wel weer roepen om meer bevoegdheden voor het OM en zwaarder straffen. Dat betekent alleen maar dat zij de les nog steeds niet hebben begrepen. Al ongeveer twintig jaar wordt dat geroepen en vindt die roep een gewillig oor bij de politiek. Want het OM heeft heel veel bevoegdheden, ook rechtsvergelijkend gezien, en de rechters in Nederland delen behoorlijk zware straffen uit. In bijna geen land ter wereld wordt zoveel getapt als in Nederland en het toepassen van dwangmiddelen en de tenuitvoerlegging van straffen is bijkans een monopolie van het OM geworden. De strafrechter wordt steeds meer buiten spel gezet en langzaam maar zeker is een situatie ontstaan, waarbij de rechtsbescherming van een verdachte in ons land verdragsrechtelijk onder de maat is. Dat zou eens aan het EHRM moeten worden voorgelegd. Het voortdurende gejeremieer over vormfouten slaat in dit verband nergens op. Als er vormfouten worden gemaakt, kunnen die bijna altijd worden gerepareerd. Niet het OM, maar de verdediging wordt tegenwoordig op vormfouten afgerekend. Maar zolang de misdaadjournalistiek wordt bedreven door gewezen politieagenten, kunsthistorici en gemankeerde juristen wordt de beeldvorming over het strafrecht gedomineerd door de zucht naar entertainment en hebben inhoudelijke argumenten weinig kans. Triest, maar waar!

De meeste verdachten in het liquidatieproces dienen te worden vrijgesproken. Als dat de prijs is die wij voor een rechtsstaat moeten betalen, betaal ik die graag. En laat het parlement zich eens bezinnen op een parlementaire enquête en proberen de balans tussen rechtshandhaving en rechtsbescherming te herstellen. Het liquidatieproces toont eens te meer aan dat de opsporing gierend uit de hand loopt. Sinds Van Traa hebben we kennelijk niets geleerd!

copyright2009@wedzinga