mei 24, 2019

De revolutie van rechter Goodwin tegen plea bargaining

Het mag bekend worden verondersteld dat in de Verenigde Staten meer dan 95% van alle strafzaken niet eindigt in een bench- of jurytrial, maar via plea bargaining wordt afgedaan. Een overeenkomst tussen de aanklager en de verdediging die aan de rechter wordt voorgelegd en goedgekeurd. De rechter is weliswaar niet verplicht om de deal te fiatteren, maar in bijna alle gevallen fungeert de rechter als stempelkussen. Dat is om meerdere redenen begrijpelijk. De deal is immers het resultaat van onderhandelingen tussen de procespartijen met divergerende belangen en alleen daarom al moeten er goede redenen zijn om die deal van tafel te vegen en de zaak te laten voorkomen. Bovendien dient het instrument van plea bargaining de efficiency en dat is een groot goed in een toch al overbelast en verziekt strafrechtsysteem. Uit het voorgaande volgt dat de rechter een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Hij mag de (proffer) deal weigeren. Een juridisch zeer interessante en belangrijke vraag is dan op welke gronden een rechter een overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging mag weigeren. Een degelijke weigering heeft namelijk ingrijpende gevolgen. De zaak wordt als gevolg daarvan op de zitting behandeld en de aard en omvang van de zaak hoeft in […]
mei 16, 2019

De waarschuwing van opperrechter Breyer

Dit stukje is in eerste instantie bedoeld om Nederlandse (strafrecht)juristen te laten zien hoe fraai een juridisch debat op het hoogste niveau kan zijn. En met het hoogste niveau doel ik in dit verband op het Amerikaanse Supreme Court (vervolg: SCOTUS). Dat debat vindt mede zijn oorsprong in het feit dat een beslissing van SCOTUS in de Verenigde Staten weliswaar bij meerderheid van stemmen wordt genomen, maar dat de minderheid in de gelegenheid wordt gesteld een zogenoemde “dissenting opinion” te schrijven. Daardoor ontstaat een goed zicht op de argumenten die in de betreffende zaak een rol spelen. De zaak die ik onder de aandacht breng dateert van 13 mei 2017 en is interessant omdat de discussie zich toespitst op de vraag wat “settled law” is en wanneer een eenmaal ingezette constitutionele koers mag worden veranderd. In zekere zin een variant op ons leerstuk “verandering van wetgeving”. Zoals bekend mag worden verondersteld is de balans in SCOTUS sinds het aantreden van Trump verschoven. Er zijn twee conservatieve rechters benoemd, Gorsuch en Kavanaugh, die op bepaalde terreinen een opvatting huldigen die in strijd is met eerdere liberale beslissingen van SCOTUS. Juridisch is het dan boeiend om te onderzoeken op basis van welke […]
maart 27, 2019

EHRM stelt vragen over artikel 80a RO

Artikel 80a RO is, cynisch genoeg, ingevoegd bij de Wet versterking cassatierechtspraak van 15 maart 2012 (Stb. 2012, 116) en in werking getreden op 1 juli 2012. Het maakt het de Hoge Raad mogelijk een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren omdat de klager“klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft” bij het cassatieberoep of omdat de klachten “klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden”. Wat dat met “versterking” van de cassatierechtspraak te maken heeft is mij onduidelijk, zoals mij ook ontgaat waarom het woord “klaarblijkelijk” in de redactie is opgenomen. Dat laatste zet het arrest in zekere zin op losse schroeven en doet afbreuk aan het gezag van de uitspraak. En dat gezag is al niet erg hoog, al is het maar omdat er een wezenlijk verschil bestaat tussen het hebben van “onvoldoende belang” en het indienen van “klachten die tot cassatie kunnen leiden”, terwijl dat verschil niet in het arrest wordt geëxpliciteerd. Vooral dat laatste wringt. De reden waarom de ingediende klachten “klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden” ontbreekt en deze afwijzingsgrond schreeuwt dan ook bijna om nadere uitleg. De door de Hoge Raad in 2012 en 2016 gegeven overzichtsarresten voegen weinig aan duidelijkheid toe. Zakelijk weergegeven wordt overwogen dat algemene regels zich moeilijk laten formuleren […]
januari 23, 2019

EHRM stelt eisen aan motivering voorarrest

Beslissingen over voorlopige hechtenis lijken in Nederland vaak voorgeprogrammeerd, zeker in zaken waar de zittingsdatum dichtbij is en het Hof de instantie is die in appel oordeelt. De hele gang van zaken is ronduit beschamend te noemen. Een gemiddelde zitting neemt, naar boven afgerond, een half uur in beslag en als het een beetje meezit worden in een paar uur tijd toch al gauw zo’n vijftien zaken afgedaan. Goed voor de kas en slecht voor de moraal. Na de sobere zitting wordt kort geraadkamerd en vervolgens rollen de beschikkingen aan de lopende band uit de printer. De motivering is vaak ver on de maat omdat wordt volstaan met conclusies. Er is vluchtgevaar, ernstig gevaar voor recidive en “uiteraard” is de rechtsorde ernstig geschokt. Waarop deze conclusies zijn gebaseerd is onduidelijk. Het lijken tussendoortjes, terwijl nota bene over de vrijheidsbeneming van burgers wordt beslist. In toenemende mate is er kritiek op deze gang van zaken en bezien vanuit de invalshoek van het EVRM lijkt het m.i. niet voor twijfel vatbaar dat de praktijk de verdragsrechtelijke toets niet kan doorstaan. Dat wordt nog eens bevestigd door een beslissing van het EHRM in de zaak Móry and Benc v. Slovakia (ECHR, appl. 3912/15 […]