november 1, 2016

Hoge Raad stelt genzen aan dynamische verkeerscontrole

Er is door menig jurist, meestal werkzaam in de advocatuur, reikhalzend uitgezien naar de uitspraak van de Hoge Raad in een zaak die betrekking had op een zogenoemde dynamische verkeerscontrole. Dergelijke controles, die inmiddels al geruime tijd staande praktijk zijn, strekken ertoe om auto’s te controleren waarin zich personen bevinden die mogelijk crimineel actief zijn. Een soort strafvorderlijke “fishing expedition”, die naar de mening van veel criticasters niet door de beugel kan omdat de politie in essentie bezig is met opsporing en daarvoor gebruik maakt van controlebevoegdheden, zonder dat er sprake is van een concrete verdenking. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van détournement de pouvoir en dus tot niet-ontvankelijkheid c.q. bewijsuitsluiting dienen te leiden.  Misbruik van bevoegdheid dus. De zaak kreeg vooral aandacht omdat het Hof oordeelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat: “de politie de haar toekomende controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend (mijn onderstreping, WW)  heeft aangewend ten behoeve van opsporingsactiviteiten, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden zijn gegeven, hetgeen détournement de pouvoir ofwel strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk oplevert. Er is dus sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, […]
juni 15, 2016

De dynamische verkeerscontrole en proactieve opsporing

Vorige week is er veel te doen geweest over een conclusie van AG Harteveld. Die conclusie betrof de vraag of een dynamische verkeerscontrole juridisch door de beugel kon. In het kader van een dergelijke controle wordt gebruik gemaakt van de controlebevoegdheden die zijn gebaseerd op art. 160 WVW 1994 met het doel om na te gaan of er mogelijk sprake is van strafbare feiten. Een soort strafvorderlijke fishing expedition. In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of de overheid gebruik mag maken van controlebevoegdheid (mede) in het kader van “proactieve” opsporing. Het Hof dat enigszins slordig spreekt van “opsporing” kwam tot de slotsom dat de overheid over de schreef was gegaan. De AG meende van niet. En het laatste woord is nu aan de Hoge Raad. Een resume van de casus levert het volgende beeld op. Na een briefing waarin werd afgesproken dat een dynamische verkeerscontrole zou worden gehouden om criminelen af te schrikken, zagen verbalisanten op een “sleutelplaats” een “opvallend dure” BMW waarin zich, naar de opvatting van de verbalisanten, wat onorthodoxe inzittenden bevonden rijden en besloten zij een stopteken te geven en de bestuurder staande te houden. Een van de verbalisanten deed vervolgens via […]
april 1, 2015

HR: Geen afgeleid bronbeschermingsrecht voor AIVD ambtenaren

Het arrest van de HR van 31 december 2015 gaat niet over het bronbeschermingsrecht van journalisten. Waar het over gaat is de vraag of AIVD-ambtenaren die geheime informatie deelden met journalisten een afgeleid bronbeschermingsrecht hebben. Kunnen zij zich beroepen op het feit dat inbreuk is gemaakt op het recht op bronbescherming van journalisten en dat dus het bewijs onrechtmatig is verkregen? Hebben zij een soort afgeleid recht op bronbescherming? Dat journalisten een recht hebben op bronbescherming is ontleend aan art. 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). In onze nationale wetgeving is daarover niets te vinden. Zelfs niet in de “Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten” omdat in die richtlijn van het OM slechts een algemeen toetsingskader wordt geschetst voor het strafrechtelijk optreden tegen journalisten. Maar in het voetspoor van het EHRM (de zaak Goodwin) heeft de HR geoordeeld dat een journalist in beginsel het recht heeft als getuige zijn bron te beschermen door te weigeren vragen die daarop betrekking hebben te beantwoorden. Die rechtspraak ziet dus op de bronbescherming in zaken waarin de journalist als getuige is opgeroepen. Het is uiteraard evident dat ook door bijv. afluisteren van journalisten bronnen kunnen worden achterhaald.  Ook dan worden journalisten echter beschermd door art. 10 EVRM en […]
maart 24, 2015

De derde deal van Teeven

Er is iets zeer merkwaardigs aan de hand. Om te beginnen met de eerste deal tussen Teeven en Cees H.. Die uit 1998. In de voor akkoord getekende verklaring van 22 juni 1998 staat onder punt 4 dat het parket Amsterdam “positief zal adviseren” op een ingediend gratieverzoek. Niets mis mee. Want het OM adviseert altijd over een gratieverzoek. Een advies dat niet bindend is. Over gratie beslist de Koning na advies te hebben ingewonnen bij het OM en de rechters. Bij voorkeur de magistraten die destijds bij de veroordeling betrokken waren. In de praktijk wordt de beslissing genomen door ambtenaren van het Ministerie van Justitie. Zo heette dat destijds nog. Maar onder punt 6 van de overigens ook tekstueel opvallende overeenkomst staat “Een beslissing op een ingediend gratieverzoek zal onverwijld worden genomen”. Vreemd. Dat is toch het prerogatief van de Koning, lees het ministerie. Het OM staat daar buiten? Sterker nog: in de destijds geldende Richtlijn “deals met criminelen” was een gratiezegging zelfs uit den boze.