februari 2, 2017

Het belang van het aanwezigheidsrecht

Een ogenschijnlijk simpele kwestie. Tenminste als je het Wetboek van Strafvordering raadpleegt en als exclusieve bron gebruikt. Er was beroep ingesteld, maar op de zitting waren verdachte noch zijn raadsvrouw aanwezig. Het Hof vroeg de griffier telefonisch contact op te nemen met het kantoor van de raadsvrouw. Niet beslist op telefonisch aanhoudingsverzoek van secretaresse van raadsvrouw. De griffier kreeg de secretaresse aan de lijn, die liet weten dat de zittingsdatum niet goed in de agenda van de advocate was vermeld. Vervolgens vroeg de secretaresse om aanhouding. Maar het Hof verleende verstek en negeerde dat verzoek. Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard. Hij had geen bezwaren opgegeven tegen de veroordeling door de rechtbank en het Hof zag geen aanleiding om de zaak inhoudelijk te behandelen. Dat laatste lijkt op grond van het Wetboek van Strafvordering de aangewezen weg. De artt. 328 en 331 Sv – die in appel o.g.v. art. 415 Sv, van toepassing zijn, laten aan duidelijkheid niets te wensen over. De verdachte en zijn advocaat kunnen om aanhouding verzoeken. Maar dan moeten zij uiteraard wel weten wanneer de zitting is. Dat hadden zij uiteraard kunnen weten, maar niet uitgesloten kan worden dat de foutieve agendering door de secretaresse is gemaakt. Hoe […]
januari 24, 2017

Het omzeilen van het taakstrafverbod

Het taakstrafverbod is de laatste tijd nogal in het nieuws. Dat komt omdat volgens sommige criticasters het in art. 22b lid 1 en lid 2 Sr vervatte verbod door rechters  wordt “omzeild” door naast een taakstraf een zeer beperkte onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Niet zelden wordt dan de taakstraf gecombineerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een dag. En eveneens komt het met enige regelmaat voor dat zelfs die ene dag niet wordt ten uitvoer gelegd. Volgens de criticasters gaat het niet aan om in geval van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven naast de taakstraf een dusdanig lage onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dat de gevangenisstraf als het ware in het niets oplost. Naar de letter genomen is er uiteraard geen sprake van “omzeilen”. Want artikel 22b lid 3 Sr zegt dat van het taakstrafverbod kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Maar waar art. 22b lid 1 Sr het heeft over een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een “ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad”, ligt het als gezegd niet voor de hand om […]
januari 4, 2017

Overzichtsarrest HR: Oplichting nader beschouwd

Het woord zegt het al: Een “overzichtsarrest” pretendeert “overzicht” te geven. Maar eigenlijk is dat niet het goede woord, hoewel de HR het wel bezigt. Bij overzichtsarresten gaat het om het verschaffen van duidelijkheid over juridische kwesties waar kennelijk in de praktijk onduidelijkheid over heerst. Een onduidelijkheid die overigens soms zelf door de HR zelf in de hand wordt gewerkt. Het arrest over artikel 80a RO is hiervan een treffend voorbeeld. In HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 ging het over inhoud en reikwijdte van het misdrijf oplichting (art. 326 Sr). Beide arresten komen uiteraard op hetzelfde neer. De focus in deze bijdrage ligt op het eerste, vooral waar het gaat om de verwijzing naar paragrafen. In het dagelijks taalgebruik staat oplichting min of meer gelijk aan bedrog. Juridisch ligt dat anders. Oplichting wordt in art. 326 Sr omschreven als””Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van […]
november 14, 2016

Wilders en de misvatting over het Felter-arrest

In de strafzaak Wilders wemelt het in de media van de misvattingen. De belangrijkste is wel dat het zou gaan om de vraag of Wilders aanzet tot “onverdraagzaamheid”. Een criterium dat een eigen leven is gaan leiden, maar dat al vanaf 2006 een rol speelt in de rechtspraak van het EHRM. Zij het een andere, minder wezenlijke rol, dan menigeen doet voorkomen. Wilders wordt van drie strafbare feiten beschuldigd, maar van aanzetten tot haat zal hij ongetwijfeld worden vrijgesproken. Het zal neerkomen op groepsbelediging (art. .137c Sr) en aanzetten tot discriminatie (art. 137d Sr). Het EHRM heeft herhaalde malen beslist dat ook uitingen die “offend, shock, or disturb” de bescherming van artikel 10 EVRM (EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236, r.o. 49, Handyside en EHRM 23 april 1992, NJ 1994/102, r.o. 42): “The Court recalls that the freedom of expression, enshrined in para. 1 of Art. 10, constitutes one of the essential foundations of democratic society and one of the basic conditions for its progress. Subject to para. 2 of Art. 10. it is applicable not only to “information” or “ideas” that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference but also to those that […]