Gevangenneming tegen verdachten in voorarrest
november 8, 2018
Show all

Het arrest van de Hoge Raad is zeker niet opmerkelijk. En eigenlijk ga ik ook niet op het arrest zelf in. Wat in dit stukje centraal staat is het arrest van het Hof dat aan de cassatie voorafging en dan in het bijzonder de wijze waarop het Hof het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen heeft beoordeeld. Die beoordeling getuigt van een gemakzucht die helaas wel meer voorkomt. Of is het woord “gemakzucht” wellicht misplaatst. Is het ergernis? Frustratie? Heeft het Hof wellicht gemeend dat in een betrekkelijk triviale zaak als de onderhavige een verzoek om negen getuigen te horen te veel tijd kost? En “time is money”, nietwaar?

In deze zaak werd de verdachte ervan beschuldigd dat hij betrokken was bij openlijke geweldpleging. Het slachtoffer was door een aantal mannen geschopt en geslagen en verdachte zou daar één van zijn geweest. Verdachte ontkende en beweerde dat hij juist geprobeerd had de vechtenden uit elkaar te houden. De bewijsconstructie houdt niet over. Het was Koningsnacht in Arnhem en het liep uit de hand. Er waren meerdere ruzies en vechtpartijen. De bewezenverklaring berust hoofdzakelijk op verklaringen van agenten, maar daaruit blijkt niet onmiskenbaar dat verdachte aan het geweld had deelgenomen. Ook het slachtoffer laat in zijn aangifte ruimte voor twijfel. Er kan dus niet zonder meer worden gezegd dat “buiten redelijke twijfel” staat dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Na te zijn veroordeeld door de politierechter, werd in de appelmemorie gevraagd om negen getuigen te horen. Getuigen die, zo mag ik aannemen, de lezing van verdachte zouden ondersteunen. Dat verzoek werd door de voorzitter bij wijze van voorschot afgewezen. Misschien was de zitting wel volgepropt met zaken en wilde de voorzitter niet meer tijd uittrekken voor de behandeling. Op de zitting werd het verzoek door de advocaat van verdachte (voorwaardelijk) herhaald. Maar ook dat leidde niet tot een ander oordeel. Het Hof zag de noodzaak niet in. Punt!

De Hoge Raad maakt de kachel aan met de wijze waarop het Hof deze zaak heeft behandeld. Hoewel het Hof m.i. ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium had gehanteerd en strikt genomen het verdedigingscriterium had moeten toepassen, was dat voor AG en HR niet de reden om een streep door het arrest te zetten. Het Hof had moeten motiveren waarom het verzoek werd afgewezen. En een simpele boodschap dat er geen noodzaak bestond, mag niet gelden als een motivering.

De kern is uiteraard dat een strafproces moet voldoen aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM. Het moet een eerlijk proces zijn. En dat heeft een prijs. Efficiency is belangrijk en dat leidt soms tot, wat ik maar kortheidshalve zal noemen, strafvorderlijke bezuinigingsoperaties. Maar de prijs mag niet te hoog worden en dat is hier evident het geval. Waar de verdachte een redelijk belang heeft om getuigen te laten horen en dat ook in het verzoek deugdelijk onderbouwt, zal de rechter moeten wegen en in zijn afwijzende beslissing blijk moeten geven waarom hij het verzoek niet inwilligt. Dat had de HR al eens eerder uitgemaakt in een belangrijk overzichtsarrest uit 2014. De HR oordeelde dan ook dat de motivering onbegrijpelijk was en vernietigde het arrest van het Hof. Strikt genomen vraag ik mij zelfs af of wel van een motivering kan worden gesproken. Het is een conclusie waarbij elke motivering ontbreekt.

De wijze waarop het Hof zich ervan heeft afgemaakt, is niet uniek. Ik vrees dat het steeds meer voorkomt. In dit geval werd gelukkig cassatieberoep ingesteld, maar hoe vaak zal het niet zijn misgegaan? Over gerechtelijke dwalingen gesproken?

Een laatste punt nog. Het is de hoogste tijd dat het onderscheid tussen het verdedigingscriterium en het noodzakelijkheidscriterium wordt afgeschaft. Het belang ervan is in de loop der jaren in de rechtspraak al gerelativeerd en wezenlijk gaat het per definitie om het verdedigingsbelang. Hoe dat wordt geïnterpreteerd is een tweede. Daarbij kunnen allerlei factoren een rol spelen. Factoren die moeten worden gewogen en beoordeeld tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM.

Copyright@Wedzinga2018