Jaarverslag Hoge Raad 2016: markante punten (1)

The Saturday Night Massacre
13 juni 2017
Jaarverslag Hoge Raad 2016: markante punten (2)
26 juni 2017
Show all

Het jaarverslag van de Hoge Raad over 2016 is in die zin niet verrassend omdat de door de Hoge Raad aangehaalde relevante (nieuwe) rechtspraak al van meet af aan de aandacht trok. Die rechtspraak betreft: 1. de dynamische verkeerscontrole 2. de levenslange gevangenisstraf 3. schadevergoeding benadeelde partijen 4. noodweer 5. beperkingen strafbaarheid (mensenhandel, kinderporno) 6. herziening ten nadele.

Voordat ik die rechtspraak behandel drie opmerkingen vooraf. Deze blog beperkt zich niet tot een descriptieve weergave van de jurisprudentie. Ik veronderstel die als bekend en voor diegene die er zich nader in willen verdiepen verwijs ik naar mijn website. De rechtspraak roept ook kritische vragen op en daarop zal vooral het accent liggen. Een tweede opmerking betreft de mogelijkheid om bij het EHRM prejudicieel advies in te winnen. Die mogelijkheid bestaat in strafzaken nog niet, maar het WODC heeft er in een rapport krachtig voor gepleit. De derde opmerking betreft de vlucht die het aantal zaken dat op basis van art. 80a RO wordt afgedaan heeft genomen. Meer dan 60% van alle strafzaken wordt in cassatie op basis van dat wetsartikel afgeschoten. Doorgaans zelfs zonder dat een conclusie van de AG is genomen. Betreurenswaardig. Het zegt veel over de kwaliteit van de advocatuur, maar ook over de wijze waarop de HR een soort verkapt verlofstelsel heeft ingevoerd, dat controle (nagenoeg) onmogelijk maakt. Ik vind dat kwalijk.

Dan nu de jurisprudentie die in 2016 in ieder geval vanuit de optiek van de Hoge Raad opzien heeft gebaard.

Dynamische verkeerscontrole

De Hoge Raad neemt terecht in het jaarverslag krachtig stelling tegen de zienswijze dat het arrest “etnisch profileren” fiatteert. Een zienswijze die door nogal wat advocaten met veel aplomb naar voren werd gebracht en berust op een schromelijk gebrek aan kunde van het strafrechtelijk métier. Het is, zo merkt de Hoge Raad op, sinds 1958 geldend recht dat de controlebevoegdheden in de WVW (m.n. art. 160 WVW) in beginsel mogen worden uitgeoefend zonder dat er een redelijke verdenking bestaat. Dat die controlebevoegdheden ook ten dienste van opsporing mogen staan, is eveneens sinds jaar en dag geldend recht, indien althans de aan een verdachte toekomende rechten in acht zijn genomen. Er is slechts dan sprake van onrechtmatig handelen indien de rechter tot de slotsom komt dat de politie bij de uitoefening van de controlebevoegdheden de te controleren persoon of personen heeft geselecteerd op een wijze die onverenigbaar is met het uitgangspunt dat personen niet worden gediscrimineerd. Pas dan lijkt het etiket “etnisch profileren” van toepassing en dient met inachtneming van art. 359a Sv het rechtsgevolg te worden bepaald.  De Hoge Raad licht dat in een opmerking ten overvloede nog eens toe (zie het jaarverslag). Ik begrijp het arrest zo dat doorslaggevend lijkt te zijn geweest dat het een auto van een rma betrof. De andere “objectieve” omstandigheden die de Hoge Raad van belang oordeelt, vind ik op zijn zachtst gezegd niet overtuigend. Dat geldt nog het meest voor het feit dat het een dure auto betrof. Hietr stelde de Hoge Raad zichzelf kwetsbaar op en lokte kritiek als het ware uit.

Levenslange gevangenisstraf

Het opleggen van levenslange gevangenisstraf is m.i. een soort doodstraf op krediet. De HR vindt een dergelijke straf niet in strijd met art. 3 EVRM, maar de veroordeelde moet wel perspectief worden geboden. Gelukkig spreekt de Hoge Raad in dit verband van “resocialisatie” en niet van “rehabilitatie”. Die laatste term is onjuist en kwalijk. Dat perspectief wordt in de praktijk niet door de wettelijke gratievoorziening geboden. Als uitgangspunt heeft volgens de Hoge Raad te gelden dat herbeoordeling na niet meer dan 25 jaar plaatsvindt.  De rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging kan worden beoordeeld overeenkomstig het daartoe bepaalde in de Penitentiaire beginselenwet, dan wel in het kader van een civielrechtelijke procedure. Het wachten is nu op politieke besluitvorming. Ik hoop dat die besluitvorming duidelijkheid verschaft over de te hanteren criteria, al besef ik dat die noodzakelijkerwijs algemeen en vaag zullen zijn. Het grootste gewicht zal toekomen aan de manier waarop de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging in staat wordt gesteld om aan te tonen dat hij weer in de maatschappij kan leven. De zorgplicht daarvoor berust bij PI/Justitie.

Schadevergoeding benadeelde partij

De meeste zaken die in het jaarverslag worden besproken vind ik niet van belang. Dat ligt m.i. anders bij een uitspraak van de Hoge Raad van 5 juli 2016. Dit arrest betreft een vordering tot cassatie in het belang der wet waarin een boekhouder was veroordeeld voor art. 140 Sr. (deelneming aan een criminele organisatie). Hij maakte deel uit van een samenwerkingsverband tussen verschillende (rechts-)personen waarbinnen met behulp van valse facturen ten laste van de benadeelde partij steekpenningen voor het verkrijgen van opdrachten werden betaald en gelden aan de (voormalige) directeur van de benadeelde partij werden doorgesluisd. Het hof meende dat de benadeelde partijen geen schadevergoeding konden vorderen omdat artikel 140 Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet op bescherming van de openbare orde. De strekking van de strafbepaling die aan de veroordeling ten grondslag lag was dus kennelijk beslissend. Een gedachte die op zichzelf niet vreemd is waar art. 51f lid 1 Sr eist dat de benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden door het strafbare feit. Maar de Hoge Raad zag dat anders en overwoog dat de concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de ver- dachte en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vergelijk HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256). Daarom vernietigt de Hoge Raad in het belang der wet de bestreden uitspraak. Deze uitspraak biedt de benadeelde partij meer mogelijkheden om schade vergoed te krijgen, ook al omdat hij in een arrest van 11 oktober 2016 het argument van het Hof dat de vorderingen van 111 benadeelde partijen niet-ontvankelijk moesten worden verklaard omdat afhandeling een “onevenredige belasting” van het strafgeding met zich meebracht, van tafel veegde. Een uitspraak die overigens niet mag worden veralgemeniseerd.

Wordt vervolgd

Copyright@Wedzinga2017