De anonieme getuige, oproeping en motiveringsplicht

De travel ban van Trump in rechtsvergelijkend en politiek perspectief
februari 10, 2017
De nachtmerrie van Donald Trump
mei 29, 2017
Show all

Soms is het strafrecht best wel ingewikkeld. De dogmatiek is in een rechtssysteem als het onze complex en de wetgever heeft de de loop van de jaren met name het strafvorderlijk systeem dusdanig ontregeld, dat de rechtszekerheid vaak ver te zoeken is. Een voorbeeld daarvan is de regeling van de getuige. Die regeling is mede of misschien zelfs vooral ingewikkeld geworden omdat we diverse soorten getuigen kennen. De bedreigde getuige, de anonieme getuige, de getuige-deskundige etc.. Soms overlappen deze rechtsfiguren elkaar. Een anonieme getuige kan iemand zijn die wordt bedreigd en wiens identiteit daarom verborgen moet blijven. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Het kan bijv. ook om een tipgever zijn -soms uit het criminele milieu – die door politie en justitie wordt afgeschermd.

Verklaringen van anonieme getuigen roepen ingewikkelde vragen op. De eerste vraag is wat nou eigenlijk onder een “anonieme” getuige moet worden verstaan. Een andere en in in dit verband interessantere vraag is onder welke voorwaarden verklaringen van anonieme getuigen voor het bewijs mogen worden gebruikt. Een ieder zal begrijpen dat het gebruik van dergelijke verklaringen minst genomen op gespannen voet staat met het verdedigingsbelang. De verdachte heeft er recht op zich adequaat te kunnen verdedigen en dat wordt per definitie moeilijk wanneer hij niet weet wie degene is die belastend over hem heeft verklaard. Het gaat dus (mede) om het recht op een eerlijk proces, dat in art. 6 EVRM is gewaarborgd.

Met het oog hierop heeft de wetgever voorwaarden gesteld aan het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen. Zo schrijft artikel 344a lid 3 Sv voor dat voor het bewijs gebruik mag worden gemaakt van anonieme getuigenverklaringen, indien “ten minste” is voldaan aan de voorwaarden:

a.  dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal, en

b.  dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen.

Het gaat hier om een bewijstoelatings- en een bewijsminimumregel. Onduidelijk is wat hierbij onder “ten minste” moet worden begrepen. Aangenomen mag worden dat de wetgever heeft willen accentueren dat het gaat om minimumvereisten en dat betekent dat de rechter er des te meer op moeten letten dat aan de voorwaarden is voldaan. Hierbij verdient opmerking dat art. 344a Sv niet op zichzelf staat, maar in samenhang met art. 360 Sv moet worden gelezen. In laatstvermelde bepaling wordt de motiveringsplicht voor het gebruik van dergelijke verklaringen aangescherpt

Voor de verdediging is het uiteraard zaak om hier bijzonder alert op te zijn. Zeker als de verklaring belangrijke toegevoegde waarde heeft. Een verdachte heeft immers het recht om zich teweer te stellen tegen verklaringen die voor hem belastend zijn en voorkomen moet worden dat politie en Openbaar Ministerie gebruik maken van onbetrouwbare en mogelijk zelfs verzonnen bronnen.

Het lijkt makkelijk voor de verdediging om deze justitiële “sluiproute” te barricaderen door een verzoek in te dienen die anonymus te horen. Als deze kan worden geïdentificeerd, kan hij of zij worden gehoord, bijv. door de R-C. (bedreigde getuige) of op de openbare zitting, hetgeen in beginsel de voorkeur verdient.

De rechter die gebruik wil maken van een proces-verbaal met een anonieme verklaring is verplicht om dit te motiveren. Hij zal op grond van. art. 360 Sv moeten motiveren dat de getuige overeenkomstig de wettelijke vereisten is gehoord en dat die getuige betrouwbaar is. Die motiveringsplicht geldt ook in gevallen waarin de verklaring als zodanig niet is “betwist”. Ik meen dat het dan wel zaak is dat de verklaring op essentiële onderdelen door de verdediging wordt bestreden. Pas dan kan mijns inziens van “betwisting” worden gesproken.

Voor een goed begrip is het van belang om onderscheid te maken tussen anonimiteit en oproeping. Art. 344a Sv is namelijk niet van toepassing als de getuige kan worden geïdentificeerd. Dat doet zich voor wanneer er sprake is van een onder codenummer opgemaakt proces-verbaal. Door de vermelding van het codenummer kan de getuige namelijk worden geïndividualiseerd. In het verlengde hiervan ligt dat ook als de identiteit van een getuige op een andere manier kan worden vastgesteld, art. 344a Sv toepassing mist en dus ook de bijzondere motiveringseisen buiten werking zijn gesteld.

De verdediging zal er uiteraard alert op moeten zijn dat geen oneigenlijk gebruik of zelfs misbruik wordt gemaakt van anonieme getuigen. Het gevaar dat een verdachte wordt veroordeeld door verklaringen van criminele informanten is levensgroot. Het is dus van wezenlijk belang om een oproepingsverzoek te doen en te trachten de identiteit van de getuige te achterhalen. Dat laatste is geen sinecure omdat justitie er een handje van heeft dossiers te splitsen en de rechter op zijn beurt het naar mijn idee te vaak wel goed vindt. Daardoor vertroebelt het beeld, raakt de waarheidsvinding op de achtergrond en verdwijnen bepaalde personen die mogelijk (ook) criminele activiteiten hebben verricht uit het gezichtsveld.

In HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:252 ging het Hof de mist in. En de faux pas van het Hof geeft te denken over de magistratelijke attitude van deze strafkamer.  Het proces-verbaal van de zitting van het Hof houdt namelijk in:

“De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek de onbekend gebleven persoon, die in het proces-verbaal van 7 september 2013 wordt genoemd, op te roepen als getuige, in verband met het bepaalde in artikel 344a, derde lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Ik heb geen gegevens van deze persoon.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Het verzoek van de raadsvrouw had voorafgaand aan de terechtzitting dienen te worden aangekondigd. Zowel de Hoge Raad als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vergt een actieve bijdrage van de procesdeelnemers. In het proces-verbaal van 7 september 2013 zijn geen gegevens weergegeven van de onbekend gebleven persoon en het is daarom niet mogelijk deze persoon als getuige op te roepen. Het verzoek dient te worden afgewezen. Indien uw hof van oordeel is dat het verzoek van de raadsvrouw gehonoreerd moet worden dan verzoek ik nader onderzoek in te laten stellen naar de identiteit van deze persoon.

De voorzitter gelast een korte onderbreking van de terechtzitting voor beraadslaging.

De terechtzitting wordt hervat.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het verzoek om de onbekend gebleven persoon als getuige te doen oproepen wordt afgewezen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor het achterhalen van de identiteit van deze persoon opdat hij als getuige kan worden opgeroepen. Oproeping is daarom zinloos, omdat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.”

Omdat oproeping naar het oordeel van het Hof zinloos was, werd het verzoek tot oproeping afgewezen en werd vervolgens de anonieme verklaring zonder enige nadere motivering voor het bewijs gebruikt. Ik ben geneigd te zeggen dat het Hof door deze gang van zaken de schijn van vooringenomenheid op zich laadt. Dat past niet in een land dat zichzelf er bij voortduring op voorstaat een rechtsstaat te zijn. Terecht maakte de HR korte metten met dit arrest.

Copyright@Wedzinga2017