Charlie Hebdo, Wilders en het recht om te twijfelen
februari 19, 2015
Nieuwe ontwikkelingen in de zaak Natalee Holloway
maart 4, 2015
Show all

 

Vier Zwitserse journalisten (o.a. Haldimann) waren veroordeeld tot geldboetes omdat zij gebruik hadden gemaakt van een verborgen camera om malafide praktijken van verzekeringsagenten aan de kaak te stellen. Die praktijken waren onderwerp van een publieke discussie in Zwitserland. Kennelijk was de onvrede daarover groot. Zo groot dat was besloten een tv documentaire aan het onderwerp te wijden.

Terwijl een verzekeringsagent door een undercover journaliste, die zich voordeed als klant, in gesprek waren draaide de verborgen camera’s op volle toeren. De twee camera’s waren geplaatst in de kamer waar het gesprek plaatsvond en het gesprek kon daardoor nauwlettend worden gevolgd door een andere journaliste en een deskundige op verzekeringsgebied die zich in een daarnaast gelegen kamer ophielden.

Aan het eind van het gesprek betrad die journaliste de kamer, stelde zich voor en maakte de verzekeringsagent duidelijk dat hij was gefilmd. Hij weigerde commentaar.  Een tijd later werd de documentaire uitgezonden, waarbij het gezicht en de stem van de agent onherkenbaar waren gemaakt. Maar dat was niet voldoende. Althans niet naar de mening van de Zwitserse rechter. De journalisten werden veroordeeld tot het betalen van geldboetes.

Vervolgens werd de zaak voorgelegd aan het EHRM, die voor het eerst moest oordelen over de inzet van verborgen camera’s in journalistieke programma’s. Juridisch gezien ging het daarbij om de vraag of door de veroordeling “disproportioneel” inbreuk was gemaakt op art. 10 EVRM, dat het recht op vrije expressie (ook wel “vrijheid van meningsuiting” genoemd) waarborgt. Bij de beantwoording van die vraag speelt een belangrijke rol of, e zo ja, in hoeverre het recht op privacy dat is verankerd in art. 8 EVRM, is geschonden.

Het antwoord kwam vandaag en luidde bevestigend (Haldimann and Others v. Switzerland (application no. 21830/09), Maar dat betekent geenszins dat het gebruik van verborgen camera’s toelaatbaar is. De overwegingen van het EHRM zijn erg op de specifieke casus toegespitst en kenmerken zich door veel mitsen en maren. Wat houdt die uitspraak in en wat zijn de consequenties?

In zijn algemeenheid heeft het EHRM zes criteria ontwikkeld die bij de weging van de collisie tussen het recht op vrijheid van expressie en het recht op vrijheid een rol spelen:

  • contributing to a debate of general interest
  • ascertaining how well-known the person being reported on is
  • the subject of the report/documentary
  • that person’s prior conduct
  • the method of obtaining the information, the veracity, content, form and repercussions of the report/documentary
  • the penalty imposed

 

Dat er sprake was van een publiek debat over de dubieuze praktijken van verzekeringsagenten leed kennelijk geen twijfel. Ook was evident dat de verzekeringsagent geen bekend publiek figuur was. De documentaire was bovendien niet toegespitst op zijn persoonlijke activiteiten, maar het ging om de branche als geheel. Van cruciaal belang was dat het gezicht en de stem was vervormd en het gesprek niet had plaatsgevonden in zijn kantoor. Een zekere vorm van anonimiteit lijkt voor het EHRM belangrijk te zijn omdat het recht op privacy dan minder gewicht in de schaal legt. Mede daarom komt het EHRM tot het oordeel dat het recht op vrijheid van meningsuiting prevaleert boven het recht op privacy. Tenslotte overweegt het EHRM dat ondanks de  “relative leniency” van de door de Zwitserse rechter opgelegde sanctie, het recht op vrijheid van meningsuiting was geschonden. Mag daaruit worden afgeleid dat een “chilling effect” geen doorslaggevende rol speelt?

Terugkomend op de vraag of het gebruik van een verborgen camera volgens het EHRM juridisch toelaatbaar is, moet het antwoord genuanceerd zijn. Ik neig er toe om deze uitspraak zo te interpreteren dat een publiek debat nog niet het recht geeft om met behulp van de inzet van een verborgen camera een als zodanig herkenbare en traceerbare persoon af te branden. Een praktijk die sommige Nederlandse journalistieke programma’s niet vreemd is. Het recht op privacy weegt dan zwaarder. In het verlengde daarvan lijkt mij van belang dat het de programmamakers ook echt gaat om maatschappelijke misstanden. Probleem hierbij is dat intenties per definitie niet meetbaar zijn. Het EHRM pleegt te spreken van journalists “who were acting in good faith and on an accurate factual basis and provided “reliable and precise” information in accordance with the ethics of journalism”. Vooral het eerste (“good faith”) vind ik niet alleen juridisch moeilijk te duiden, maar ook getuigen van een grote mate van naïviteit. Zeker in een tijd waarin kijkcijfers en oplagecijfers belangrijk zijn en de wijze waarop burgers door de media aan de schandpaal worden genageld de vorm aanneemt van levenslange strafoplegging.

 

Copyright@Wedzinga2015