Seksueel misbruik en uitbuiting van minderjarigen: juridische kanttekeningen bij de loverboyzaak

Moord in de verleden tijd
januari 19, 2015
De loverboyzaak en de prostituant als slachtoffer
januari 30, 2015
Show all

 In Valkenburg werd eind vorig jaar een man betrapt die seks had met een meisje van 16. De “pooier” van het meisje zat in de badkamer van het hotel, vlakbij de kamer waar het meisje zich prostitueerde. Hij was 21 en dan ben je volwassen. Toch? Er werd gesproken van een “aanzienlijk” leeftijdsverschil. Via de GSM van het meisje kwam het OM op het spoor van 50 mannen. Klanten heette het. Al gauw werd het aantal van 50 in de media opgehoogd tot ongeveer 80. Alsof het een feit zou zijn dat deze mannen allemaal klant waren. Het OM opende de jacht op de vermeende klantenkring en kondigde aan hen thuis of op hun werk op te zoeken. Huwelijk naar de filistijnen en in de ww of bijstand. Aan de privacy geen boodschap, volgens OvJ Ten Kate, in het tv programma Jinek. Iemand die seksueel misbruik maakt van een minderjarige heeft geen privacy. Volgens Ten Kate dan. Juridische onzin, waarover later meer.

In datzelfde programma gaven de advocaat van verdachte acte de presence.  Wat de advocaat bezielde mag Joost weten. Hij deed zijn cliënt geen plezier, vermoed ik, door tussen de regels door toe te geven dat het om strafbaar misbruik ging en plaatste hooguit wat kanttekeningen bij de strafbaarheid van uitbuiting. Die opmerkingen raakten kant noch wal. Het meisje zou zich vrijwillig prostitueren. Alsof dat relevant is. Uitbuiting is strafbaar op grond van artikel 237f lid 1 Sr en iedereen die de Nederlandse taal machtig is, kan daaruit al opmaken dat “vrijwilligheid” geen rol speelt. Uitbuiting blijft uitbuiting. Een profiteur blijft een profiteur. Dat degene die wordt uitgebuit daarmee “instemt” is juridisch hooguit van belang bij de strafmaat, al kan ik me daarbij niet direct iets voorstellen.

Maar de advocaat plaatste het in de sleutel van de strafbaarheid. Een verkeerde sleutel. Officier van Justitie Ten Kate had dan ook weinig moeite om dit argument van de advocaat faliekant van tafel te vegen. Maar verder kraamde hij ook vooral onzin uit. Wat betreft het misbruikt (dus niet de uitbuiting) beriep hij zich op internationale verdragen. Wat hij daarbij vergat te zeggen is dat in de strafzaak die verdragen geen wezenlijke betekenis zullen spelen. Een verdachte wordt niet veroordeeld omdat een internationaal verdrag zijn gedrag strafwaardig vindt. Doorslaggevend is of dat gedrag volgens ons Wetboek van Strafrecht strafbaar is. En soms worden internationale verdragen niet goed omgezet in nationale strafwetgeving. Zo ook in deze zaak. Daarbij gaat het om art. 273f lid 5 Sr. Omdat ook de redactie van het programma slecht was voorbereid en kennelijk te weinig kennis van het strafrecht in huis had, ontaardde het gesprek in een festival van fouten. Misschien niet zo erg, ware het niet dat daardoor bij veel mensen een verkeerd beeld ontstaat van de juridische merites van de zaak. Daarover nu iets meer.

De strafbaarheid van de loverboy en klanten

Hoewel ik, uiteraard, het dossier niet ken, lijkt het mij aan weinig of geen twijfel onderhevig, dat de loverboy van het meisje zich schuldig heeft gemaakt aan uitbuiting. Aangenomen mag worden dat het OM de beschuldiging zal toespitsen op  art. 273f lid 1 Sr en op art. 273f lid 8 Sr. Het eerste lid kan diverse bewijsproblemen opleveren. Zo moet worden bewezen dat verdachte de bedoeling (“oogmerk) heeft gehad het meisje “uit te buiten”. Bovendien moet het OM aantonen dat sprake is van “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” en/of “misbruik van een kwetsbare positie”.  Vooral dat tweede lijkt van belang. In de strafzaak zal daarbij het accent liggen op het leeftijdsverschil. Omdat de pooier (ook ik vind “loverboy” een onjuiste benaming) 5 jaar ouder was dan het meisje zou dat een punt van discussie moeten zijn. Maar uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat rechters hier tamelijk “gemakzuchtig” mee omspringen. Er zijn in de praktijk voorbeelden te over van strafzaken waarin dat “overwicht” en die “kwetsbaarheid” werden gekoppeld aan leeftijdsverschil. Persoonlijk heb ik met die bewijsrechtelijke “gemakzucht”  moeite. Zeker ook in deze zaak waarin sprake is van een leeftijdsverschil van 5 jaar. Dat is niet veel. Ik meen uit onderzoek te hebben begrepen dat meisjes van 16 of daaromtrent aanzienlijk volwassener zijn dan jongens van die leeftijd. Cruciaal zou in mijn ogen moeten zijn hoe de pooier en het meisje met elkaar omgingen. Maar dat blijkt uit het dossier en daar heb ik dus geen zicht op. Evident is in ieder geval dat, zoals eerder opgemerkt, de vraag of het meisje vrijwillig in de prostitutie is beland juridisch irrelevant is.

De discussie in de rechtszaal zal zich vermoedelijk toespitsen op het “misbruik” dat van het meisje zou zijn gemaakt. Dan hebben we het over art. 273f lid 5 Sr. In de media en ook in het tv programma van Jinek werd geen aandacht geschonken aan de vraag of de pooier het meisje “er toe heeft gebracht” zich te prostitueren. Het antwoord op die vraag is echter van essentieel belang voor de strafbaarheid. Wanneer het meisje zelf voor de prostitutie koos is de profiterende pooier niet strafbaar als misbruiker. Wel als uitbuiter. Vrijwilligheid speelt hierbij een elementaire rol, maar is tevens een term die niet recht doet aan de interactie die tussen de pooier en het meisje zal hebben plaatsgevonden. Daarin ligt een causaliteitsvraag besloten. Bij de waardering van het proces van interactie tussen “dader” en “slachtoffer” zou de rechter in het bijzonder moeten beoordelen of er sprake is geweest van een “psychisch omslagpunt”. Een punt waarop het meisje als het ware overstag gaat. Niemand besteedde hier aandacht aan. Een brevet van onvermogen voor in het bijzonder de advocaat. Ook rechters hebben de neiging hieraan voorbij te gaan. Dat blijkt bijv. uit …. (uitspraak gisteren) De verklaring kan zijn dat het te moeilijk is omdat omslagpunt te reconstrueren. Een excuus is dat niet. Er staat te veel op het spel. De advocaat moet dat “hard” spelen, al is het maar om er later bij de HR met kans op succes over te kunne klagen.

Degenen die mogelijk klant van het meisje waren zullen als het onderzoek naar het inzicht van het OM voldoende bewijs oplevert worden vervolgd voor (in ieder geval) art. 248b Sr. Deze strafbepaling ziet op iemand die ontucht pleegt met een prostituee die 16 of 17 jaar is. Dwang speelt geen rol en de leeftijd is geobjectiveerd. Wanneer de klant de leeftijd verkeerd inschat, speelt bij de bewijsvraag geen rol. Hooguit bij de strafbaarheid. De verdachte klant kan zich namelijk verweren door een beroep te doen op het feit dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van zijn vergissing. In juridisch jargon spreken we dan van een exceptie (strafuitsluitingsgrond). In dit geval gaat het om een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Een dergelijk verweer is tot mislukken gedoemd. Wanneer de rechter het beroep van de verdachte klant zou honoreren, zou hij daarmee het bestaansrecht van art. 248b Sr ondermijnen en de strafrechtelijke handhaving tot een minimum reduceren. Rechters zijn daartoe niet geneigd, omdat zij zich dan in zekere zin op het pad van de wetgever begeven.

Ik zou mij als advocaat richten op de “heksenjacht” die is ontketend door het OM en de zoals zo vaak scabreuze rol van de media. Vast staat dat er een forse inbreuk op de privacy van deze klanten heeft plaatsgevonden en dat die inbreuk ernstige gevolgen kan en/of zal hebben. Een en ander zal in ieder geval in de strafmaat tot uitdrukking komen. Sommige journalisten die gehinderd worden door kennis van zaken hebben op deze mitigerende invloed kritiek. Ik raad hen aan zich eens te verdiepen in de straftheorieën en niet zo maar wat te blaten. De inbreuk op de privacy bestaat daarin dat de klanten die zich niet “vrijwillig” (what’s in a word) melden thuis of op hun werk worden geconfronteerd met hun gedrag. Het gaat hierbij m.i. om een even ongebruikelijke als vergaande opsporingsmethode, die bedoeld is om aan een ieder die zich met jonge prostituees inlaat een signaal af te geven. In het Wetboek van Strafvordering is niets over deze methode te vinden. Maar dat geldt wel voor meer opsporingsmethodes. Het OM begeeft zich op glad ijs. Ernstige inbreuken op de privacy moeten in beginsel op een formele wet berusten. De artt. 141 en 142 Sv bieden daarvoor onvoldoende grondslag. En als het al niet zou gaan om opsporing, dan zou art. 2 Politiewet die basis moeten bieden. Maar ook die bepaling is te algemeen. Ik voorzie hier strafvorderlijke complicaties. Complicaties die (mede) berusten op art. 8 EVRM, waarin het recht op privacy centraal staat. Het EHRM hanteert als uitgangspunt dat het van belang is dat een “serious interference with private life” regelgeving vereist die “particularly precise” is en die voldoende waarborgen bevat tegen misbruik. Een OM dat een flagrante inbreuk maakt op dit fundamentele recht, riskeert een niet-ontvankelijkheid. Het is mij een raadsel waarom het OM zover gaat. Of zou het signaal dat al is afgegeven voldoende zijn en is strafvervolging van de klanten van minder belang?

Copyright@Wedzinga2015